Deugen journalisten? (over Larry Sangers Citizendium)

20 mei 2007 Geen categorie 0

Deugt de massa of neigt de meute in het beste geval tot middelmatigheid? Hebben we een elite nodig om de cultuur te redden? Of kunnen we, in tijden van internet en social software, best zonder experts van naam en faam? En wat in die informatiesamenleving is nog de rol van de journalist?

Zijn journalisten, door de bank genomen, ergens goed in? Zijn ze experts? Of weten ze bijna niets van alles, zoals sommige hardboiled verslaggevers na een paar glazen bier wel willen toegeven? De vraag schoot me te binnen toen ik
Who says we know las, een essay van Larry Sanger, medeoprichter van Wikipedia. Die encyclopedie, zegt Sanger, deugt niet, omdat experts worden buitengesloten. Op Wikipedia mag iedereen immers een bijdrage leveren. Samen, luidt het credo, weten we alles.

Het stuk van Sanger raakt aan twee of drie schragen onder het debat over de waarde van informatie op internet. De vraag is telkens of het net als bron te vertrouwen is. Wie daaraan twijfelt, omdat het net vergeven lijkt van anoniem geposte informatie en soms geterroriseerd wordt door trollen en halvegaren, wordt al snel gewezen op het succes van Wikipedia. Die encyclopedie is een van de meest geraadpleegde bronnen van het net.

Toch is Wikipedia volgens Sanger mislukt. De encyclopedie bevat te veel fouten en wordt te vaak misbruikt voor persoonlijke campagnes. Uit frustratie begon Sanger, die begin deze eeuw de naamgever, bedenker en hoofdredacteur was van Nupedia, de wat meer traditionele voorloper van Wikipedia, een nieuw online naslagwerk. Dat is Citizendium. Opnieuw gebouwd op wiki-software, gratis te raadplegen en vrij van advertenties. Maar anders dan Wikipedia laat Sanger zijn artikelen redigeren door experts en zijn anonieme bijdragen niet welkom.

Het essay van Sanger – van huis uit filosoof – staat op Edge. Het gaat over de vraag of het fundament van algemene kennis, dat wat we met z’n allen weten, onze background knowledge zoals de auteur het noemt, wel in goede handen is bij een egalitaire internetgemeenschap als Wikipedia. Vroeger, redeneert Sanger, wisten we wat we wisten dankzij (of ondanks) de kerk. Daarna bleef het toetsen, filteren en verspreiden van kennis in handen van professionele elites. De censor, uitgevers, eigenaren van massamedia. Met internet veranderde dat radicaal. Wikipedia is het icoon van democratische, collaboratieve niet-professionele-kennis.

Nu we dankzij internet voor onze informatie niet meer afhankelijk zijn van een professionele elite, dreigt echter ook het respect voor die experts verloren te gaan. Dat is zonde en onnodig, stelt Sanger. Het is jammer omdat de waarheid soms echt gediend is bij de deskundigheid van een professionele expert. En onnodig omdat je volgens Sanger heel goed de verworvenheden van Web 2.0 – massale peer-to-peer-samenwerking, open bronnen – kunt behouden naast de inbreng van experts.

Dabblerism
Sanger zet zich af tegen het sektarisme van Wikipedia en vergelijkbare, radicaal democratische sites. In die ideologie, volgens een criticus als Andrew Keen wortelend tussen jaren-zestig-flower-power-optimisme en het techno-utopisme van de jaren negentig, is ieders inbreng evenveel waard. Het systeem is anti-autoritair, een hiërarchie gebaseerd op geëtaleerde expertise bestaat niet. Anders dan Keen spreekt Sanger niet van een cultus van de amateur (want er geld mee verdienen is geen criterium voor deskundigheid). Wiki, zegt Sanger, is gebaseerd op ‘dabblerism’ (als in: we-doen-maar-wat).

Wat mij betreft is dat sektarische precies wat Wikipedia bedreigt. Het naïeve jarenzestig-optimisme staat mijlenver af van de pragmatische benadering die ik waardeer in programmeurs. “Waar is wat werkt,” lijkt me een beter uitgangspunt dan “waar is wat wij samen vinden dat waar is”. Daarmee schaar ik me nog niet achter Sanger, die waardering heeft voor Wikipedia maar in laatste instantie niet gelooft in een wereld zonder experts. Ik geloof evenmin in de wijsheid van de elite als in die van de massa, maar heb wel vertrouwen in technologie. Als dat me een techno-utopist maakt, moet dat maar.

Tussen twee haakjes: als ik zeg niet te geloven in de wijsheid van de massa, ontken ik niet dat er zoiets bestaat als the wisdom of crowds (als beschreven in het boek met die titel van James Surowiecki). Maar terecht wijst ook Larry Sanger erop dat dat fenomeen – de gemiddelde schatting van een grote groep is nauwkeuriger dan de beste schatting van een enkeling – alleen werkt als mensen in een groep onafhankelijk van elkaar werken. Terwijl Wikipedia juist gebaseerd is op consensus en samenwerking, en dat staat haaks op the wisdom of crowds.

Te vaak en te makkelijk, zegt Sanger, wordt the wisdom of crowds aangeroepen om te verklaren hoe wonderbaarlijk accuraat Wikipedia is. Dat ben ik met hem eens. Maar wanneer je het principe wat minder naar de letter neemt, en de kreet hanteert als metafoor voor allerlei vormen van “netwerkintelligentie”, wordt misschien duidelijk waarom ik wel degelijk denk dat samenwerking op internet hoogwaardige kennis op kan leveren, ook zonder de inbreng van experts zoals Sanger die bij Citizendium bepleit.

In een van de reacties op het essay van Sanger wordt het al genoemd. Een systeem als Wikipedia kan worden aangevuld met ‘reputaties’. Ik doel niet per se op klassieke reputaties van experts (cv, lijst met publicaties, relaties in een Rolodex). Denk eerder aan de wijze waarop Google de miljarden webpagina’s in de wereld van meta-informatie voorziet. Het aantal links dat ergens naar verwijst, en de kwaliteit van de verwijzer (als bepaald door het aantal links dat naar hem verwijst) – dat is het wezen van Googles PageRank-algoritme.

De reactie in kwestie is afkomstig van Gloria Origgi, een Italiaanse, in Parijs werkende filosofe en epistemologe die onderzoek doet naar de oorsprong van kennis en de impact daarop van internet. Ze deelt Sangers scepsis waar het gaat om de veronderstelling dat het gelijkheidsbeginsel van Wikipedia (‘iedereen mag iets posten en ieder ander corrigeren’) linea recta tot de waarheid leidt. Maar ze wijst erop dat het net behalve een bron van informatie ook een bron en tool voor reputaties is.

An efficient knowledge system like Wikipedia inevitably will grow by generating a variety of evaluative tools: that its how culture grows, how traditions are created. What is a cultural tradition? A labelling system of insiders and outsiders, of who stays on and who is lost in the magma of the past. The good news is that in the Web era this inevitable evaluation is made through new, collective tools that challenge the received views and develop and improve an innovative and democratic way of selection of knowledge. But there’s no escape from the creation of a “canonical” – even if tentative and rapidly evolving – corpus of knowledge.

Deugen journalisten?
Waar Sanger voor zijn nieuwe encyclopedie het principe van gelijkheid loslaat en in feite old school topdown redactie invoert, zoekt Origgi het in een andere richting. Zij erkent dat een cultuur een systeem nodig heeft van waardering en evaluatie van kennis, dat er een “canon” moet ontstaan van kennis, dat er ongelijkheid zal blijven bestaan tussen “zij die weten” en “zij die kunnen worden vergeten”, maar ze vestigt haar hoop op het net zelf. Daar moeten de nieuwe, collectieve gereedschappen vandaan komen voor nieuwe vormen van kennis-evaluatie.

De problemen van de netwerksamenleving, de ellende en sores die kennelijk onvermijdelijk samenhangen met deze vorm van anonieme, niet aan tijd en plaats gebonden communicatie, zullen ook worden opgelost door netwerktechnologie. Dat is, ik weet het, een utopische gedachte. Maar het idee dat het net in staat is zijn eigen rommel op te ruimen, voedt mijn pleidooien voor meer innovatie, ook en vooral in de journalistiek. Ik erken dat internet soms niet te vertrouwen is, maar de wij-weten-het-dus-beter-reflex van journalisten vind ik kortzichtig.

Met Origgi beweer ik dat kennis niet zonder reputaties kan. Op internet leidt dat tot ‘reputatiesystemen’ – niet tot ijdele, arrogante journalisten die veronderstellen dat alleen zij in staat zijn echt van onecht te onderscheiden, feit van fictie, de waarheid van een leugen. Die rol van poortwachter was honderd jaar lang, in de laatste eeuw van informatie-elites, ongetwijfeld cruciaal voor de democratische samenleving. Maar dankzij internet heeft de journalist niet langer het monopolie als gatekeeper.

De fundamentele vraag onder de credibility van Wikipedia is: deugt de massa? Kan een online gemeenschap kennis genereren die goed genoeg is als background knowledge voor onze cultuur? Larry Sanger bestrijdt dat idee (net als de door mij eerder geciteerde Jaron Lanier). Ik leid uit zijn betoog en het debat erover de vraag af hoe journalistiek kan deugen. Door zich aan te passen aan internet, aan de nieuwe vormen van egalitaire samenwerking die op het net ontstaan én aan de reputatiesystemen die het zal voortbrengen.

De moderne journalist moet een expert zijn, maar niet in de oude betekenis van dat woord: het gaat er niet om wat hij weet maar hoe hij weet. Hij moet voortreffelijk, als een professional, kunnen omgaan met de kennis van derden, hij moet in gesprek zijn met zijn lezers, hij moet een intens begrip hebben van de wijze waarop kennis op het net ontstaat en wordt geëvalueerd door reputatiesystemen (als Google). Hij moet kortom een betere journalist zijn. Hij moet betere verhalen vertellen, en die beter vertellen.

[Dit artikel maakt onderdeel uit van De Metacratie, een open source boek dat ik op deze site probeer te schrijven. “Deugen journalisten” verschijnt ook op De Nieuwe Reporter]