Blogs zijn de toekomst van internet niet

“Blogs are boring,” schreef Andrew Keen op zijn blog. Zeventig miljoen blogs zijn er en ze vervuilen het internet met nieuws over wat hun bloggers aten aan het ontbijt. Ze zijn het niet waard dat we zoveel woorden aan ze besteden. Vooral niet, zegt Keen, omdat je het zou moeten hebben over wat web 2.0 wel betekent. De macht van Google, de pornoplaag, de toekomst van het boek.

Keen heeft gelijk waar hij het belang van blogs relativeert (zie zijn manifest). Slechts een fractie van de bestaande blogs zijn interessant voor een groter publiek. Ook moeten we langzaamaan inzien dat weliswaar iedereen dankzij het net in staat is op een zeepkist te klimmen en te zeggen wat-ie denkt, maar dat niet iedereen dat wil. Mijn schatting: als een paar procent van de bevolking iets op internet gaat doen wat in de verte op journalistiek lijkt – informatie verstrekken van “algemeen belang” – is het veel.

Tegelijkertijd kun je blogs niet serieus genoeg nemen. Het simpele feit dat we, al in het maar in theorie, in staat zijn allemaal een publiek te bereiken, verandert de samenleving. En het gegeven dat de journalistiek concurrentie krijgt van bloggers met min of meer journalistieke ambitie (ook al zijn dat er duizenden en geen miljoenen), verandert de journalistiek.

Maar nee, blogs zijn niet de toekomst van internet. Dat is te simplistisch. Eerder zijn ze een leerzame hype, een venijnige les die de journalistiek moet leren: we kunnen ons als journalisten niet meer veroorloven lezers te negeren, niet naar ze te luisteren (wat iets anders is dan ze populistisch naar de mond praten). Anders riskeren we dat ze ons gaan negeren onder het motto: we doen het zelf wel.

De toekomst van kennis

Keen zegt meer belangstelling te hebben voor “de toekomst van kennis” – wat natuurlijk een prachtig onderwerp is. In het aangekondigde maar nog niet verschenen boek The cult of the amateur zal Keen erover schrijven. En ja, het staat dicht bij mijn onderwerp, De massa, de meute en de metacratie. Maar de positie van Keen is een andere dan de mijne. Hij weet al zeker dat internet onze cultuur bedreigt. Ik wil nog twijfelen voor de duur van het boek dat ik schrijf.

Via Keen en andere journalisten/bloggers als Jarvis, Rosenberg en Rosen kom ik telkens weer bij onderwerpen die iets met mijn thema te maken hebben:

  • De publieke ruimte. Waar en hoe op internet wordt kennis verzameld of gegenereerd, en wat doet die virtuele publieke ruimte met het persoonlijke domein, inclusief onze privacy? Worden we socialer van internet of juist niet? Schrijft Sherry Turkle: “It is clear that what people mostly want from public space is to be alone with their personal networks. It is good to come together physically, but it is more important to stay tethered to the people who define one’s virtual identity, the identity that counts.
  • De elite. Vroeger had de intellectuele elite het voor het zeggen in het publieke domein, nu praat de burger mee. Is dat schadelijk voor de cultuur of juist niet? Kan een samenleving desnoods zonder elite of is dat een arbeideristische nonsensvraag?
  • Google Think. Kunnen we leven met de gedachte dat machines het geheugen van de mensheid worden? Google – wie anders? – slaat meer en meer informatie op. Daar is niets mis mee. Maar de wijze waarop die kennis wordt ontsloten, hoeft niet waardenvrij te zijn. Wie zegt me dat de algoritmen van Google “neutraal” zijn? En als ze al niet van bovenaf worden belast met politieke of morele keuzes, wat zou het dan betekenen dat ze van onderaf worden “gevormd”, als de optelsom van alle vragen die wij ooit aan Google hebben gesteld? Leidt dat tot kennis – Google Think! – die wordt gefilterd door de grootste gemene deler, en tot een waardensysteem dat weerspiegelt wat de massa denkt?
  • Avatars. Welke rol in de massa kunnen onze avatars vervullen? Sinds de jaren tachtig en de vroegste mud’s (multi user dungeons) laten we onze virtuele alter ego’s ronddolen op het net. We laten ze van alles doen. Handelen, huwen, spelen. En neuken als konijnen. Maar verandert het klassieke beeld van de massa hierdoor ook? Turkle: “Since the late 1990s social computing has offered an opportunity to experiment with a virtual second self. Now this metaphor doesn’t go far enough. Our new online intimacies create a world in which it makes sense to speak of a new state of the self, itself.”
  • Transparantie. Steeds vaker merk ik dat de massa op internet aan zichzelf andere eisen stelt als aan de “elite” – maar misschien is dat altijd al zo geweest, ook in tijden voor het net. Wat ik bedoel is dit: moderne lezers verwachten van een krant opperste transparantie (zeg me wie je bent en wie je bronnen zijn), maar maakt zichzelf zo “onkenbaar” mogelijk op het anonieme net. Diezelfde lezer verwacht ongefilterd nieuws, ontdaan van kleuring door ideologieen (voorheen wel bekend als de linkse kerk), maar wil zelf niets liever dan met meningen op dat nieuws reageren. (Niet dat ik dat niet begrijp, het lijkt me zeer terecht, maar paradoxaal is het wel)
  • Information overload. We leven, zegt Turkle, in een steeds complexere wereld, maar gunnen onszelf de tijd niet om kalm over die wereld na te denken. In plaats daarvan razen we al maar door en laten van alle kanten de information overload op ons afkomen. Van de andere kant: als ik mensen hoor klagen over die information overload, zijn dat zelden jongeren, maar meestal mijn gemiddeld 45-jarige vakgenoten.
  • De informationclan. Niet het grootste bereik telt op internet, maar het kleinste en toch nog relevante. Dat is een oneliner die ik uitgevers voor hou. Probeer geen massabereik te genereren zoals je dat met een krant doet – algemeen nieuws voor een zo breed mogelijk publiek – maar zoek het in de netniches, tussen de webnomaden, bij de informatieclans. Die clans zijn kleine, voortdurend wisselende, maar kortstondig zeer loyale groepen rond een topic. (Vertelde van de week iemand dat-ie een site was begonnen rond de introductie van een nieuw en niet bijster goed lopend type auto. Had binnen de kortste keren een kleine duizend bezoekers, zo ongeveer alle kopers van die auto). Interessant is hoe die infoclans zich gedragen, hoe ze ontstaan en weer verdwijnen, welke mechanismen er deel van uit maken. En of je ze kunt manipuleren.
  • Information is free. Sinds de jaren zestig wordt wel gezegd dat information wants to be free. Daarna is er discussie ontstaan over de vraag of daarmee wordt bedoeld free as in free beer of free as in free speech. Ik denk dat informatie inmiddels al vrij is, maar dan vrij als in free floating: ontdaan van zijn beperkingen, vrij zwevend, niet meer gebonden aan containers als krant of twintigdelendikke encyclopedie. Dat is niet hetzelfde als gratis (free beer), of vrij in de politieke betekenis (free speech).

Reacties zijn gesloten.