De Matrix: een grondplan voor een journalistieke ethiek

9 juni 2007 Geen categorie 0

Internet is een medium met eigen normen en waarden – ik heb dat vaker beweerd. Anonimiteit en identiteit zijn niet helemaal wat je dacht dat ze waren in de gewone wereld. Stelen wordt op het net soms eerder gebillijkt. Opinies lijken heiliger dan feiten. Misschien is het allemaal minder een verrijking voor de samenleving dan sommige utopisten dachten, maar we zullen het ermee moeten doen, for better or worse.

De journalistiek moet hier iets mee, ook dat heb ik vaker gezegd. De beroepsgroep kan zich niet afzijdig houden. Als we ons verkrampt vasthouden aan de oude, vertrouwde ethische beginselen zonder open te staan voor vernieuwing, lopen we het risico het respect van lezers te verliezen, daarna die lezers zelf en tenslotte onze reden van bestaan. Waarmee niet gezegd is dat we alle eigenaardigheden van het net kritiekloos moeten omarmen.

Gelukkig begint de journalistiek zich te bevrijden van die kramp. In de Verenigde Staten wordt volop gedebatteerd over een richtlijn voor online journalistiek. The Guardian en andere media experimenteren met open fora, misschien wel het heetste hangijzer. En in Nederland wordt hardop de vraag gesteld of er een journalistieke richtlijn moet komen die meer dan de twaalf jaar oude code van het Genootschap van Hoofdredacteuren rekening houdt met internet.

Het is een lastig debat. Hoewel ze er niet dagelijks over praten bij de soepautomaat, ligt de ethiek van het vak voor veel journalisten even gevoelig als het celibaat voor een priester, het beroepsgeheim voor meester Moscowicz en de eed van Hippocrates voor artsen. Je stelt zo’n code niet lichtvaardig ter discussie; je weet maar nooit wat je ervoor terugkrijgt. En wie een overtuiging loslaat waaraan hij zich jarenlang vasthield, wordt ook met terugwerkende kracht aan het twijfelen gebracht: had je dat dogma niet al eerder moeten laten varen?

Meer dan één code

De opkomst van internet dwingt de journalistiek niettemin tot reflectie op de eigen ethiek. Maar als we op zoek gaan naar een nieuwe, gemoderniseerde beroepscode, ontdekken we dat er al lang meer bestaat dan één code. Dat die codes niet allemaal hetzelfde doel hebben en niet alle voor hetzelfde publiek zijn geschreven. Dat maakt de dingen complexer en tegelijkertijd overzichtelijker.

Om te beginnen is er, zoals Arno van ‘t Hoog schreef, een groot verschil tussen een code die primair algemene idealen onder woorden wil brengen (zoals de Code van Bordeaux) en de interne richtlijn van een krant. Die laatste kan op de eerste gebaseerd zijn, maar is veel specifieker, praktischer en pragmatischer. Een interne richtlijn zal bovendien vaak sancties bevatten op overtreding.

Een tweede onderscheid heeft te maken met de doelgroep. Waar het Genootschap van Hoofdredacteuren in 1995 vooral de eigen beroepsgroep op de korrel had, richt de leidraad van de Raad voor de Journalistiek zich toch in de eerste plaats op mediaconsumenten, en dan vooral degenen die zich tekort gedaan en misheus behandeld voelen door de media. Ook dat zet de toon.

Als internet de journalistiek dwingt tot herijking van de beroepscode – wat we nu onderzoeken; er staat niets vast – dan zou dat heel wel kunnen leiden tot een derde onderscheid. Naast codes voor offline of algemeen gebruik, zou er een code kunnen bestaan die helemaal geënt is op internet. Uiteraard zullen er pijnlijke verschillen bestaan tussen beide codes – het gaat er juist om die conflicten en tegenstrijdigheden te benoemen.

De ethische matrix

Ik kan me een matrix voorstellen waarin de drie hierboven genoemde uitgangspunten (doel, publiek, platform) samenkomen in acht (23) secties of hoofdstukken. Die zullen elkaar overlappen. Idealen zullen verwijzen naar praktische consequenties, de facto normen zullen vertaald worden in gedragsregels. Maar de verschillen die onderin de matrix ontstaan, daar waar alledaagse beslissingen moeten worden genomen, zullen even belangrijk zijn als de overeenkomsten, de vanzelfsprekende, door niemand betwiste fundamenten onder de journalistiek (“eerbied voor de waarheid”).

Nee, ik verwacht niet dat het grote publiek veel aan die matrix zal hebben. Daar is het denkraam ook niet voor bedoeld. Ik stel niet meer of minder voor dan een grondplan onder het denken over een journalistieke ethiek. Wie denkt dat het anders kan, moet dat vooral zeggen.