Iedereen is journalist die zegt dat-ie journalist is

De journalistiek kent vele codes en richtlijnen. Soms zijn die alleen bedoeld voor journalisten, soms moeten ze ook lezers en luisteraars houvast bieden. Maar wat de codes gemeen hebben, is dat ze geen van alle voldoende duidelijkheid bieden voor journalistiek op internet. Dit artikel denkt hardop verder en komt uit bij een simpel voorstel: iedereen is journalist die zegt dat hij journalist is.

In een artikel op deze site en op De Nieuwe Reporter heb ik uiteengezet dat de ene journalistieke code de andere niet is. Codes hebben verschillende dimensies: van “aspirationeel” naar praktisch, van een specifieke doelgroep naar een brede doelgroep, van offline naar online platform. De vraag ik me hier stel is deze: welke codes zijn er al en welke leemtes bestaan er dan nog?

De Code van Bordeaux formuleert bij uitstek de idealen van een beroepsgroep voor die beroepsgroep. Ze is weinig praktisch van aard; voor de dagelijkse praktijk – tot welk bedrag mag ik iets aannemen van een bedrijf, hoeveel tijd moet ik iemand gunnen om te kunnen reageren op een artikel – heeft een journalist meer nodig.

De Code van Bordeaux is ook niet gericht op een breed publiek; de meeste mediaconsumenten hebben geen idee dat die Code bestaat, en als ze de code al kennen, kunnen ze niemand erop aanspreken (al doen ze dat soms onbewust en onbedoeld als ze een journalist ervan betichten een loopje te nemen met “de waarheid” – de waarheid dienen is het eerste gebod van de Code van Bordeaux en de gedachte dat journalisten de waarheid dienen is gemeengoed in onze cultuur, dat wil zeggen: in de cultuur van westerse democratieën).

Een derde eigenschap van de Code van Bordeaux is zijn ouderdom. Voor het eerst opgesteld tijdens een internationaal journalistencongres in 1954 is de code voor het laatst geamendeerd in 1986 (met een artikel dat zegt dat journalisten zich bewust moeten zijn van het gevaar van door media verspreide discriminatie, en dat ze alles moeten doen om discriminatie te voorkomen – achteraf past dat artikel uiteraard in de multiculturele worsteling).

Doordat de brede internationale code dateert van ver voor de proliferatie van internet als massamedium, komen het net en al zijn eigenaardigheden niet aan de orde. Burgerjournalistiek, comments, fora, nieuwsselecties uit databases, hyperlinks, blogs en wat al niet – journalisten die hun hoofd breken over de ethische potholes van het net, hebben aan “Bordeaux” weinig.

Nationale verschillen

Dat de Code van Bordeaux het net negeert, is niet erg. Zolang we niet proberen alle dilemma’s van online journalistiek ermee op te lossen of, omgekeerd, de code zelf willen amenderen met de normen en waarden van internet. Het eerste wordt niet begrepen door de gebruikers van internet en genereert meer vragen dan antwoorden. Het tweede is weinig praktisch.

Gelukkig wordt de Code van Bordeaux vaak gebruikt als uitgangspunt voor afgeleide codes, richtlijnen, gedragsregels en huisregels. Er zijn nationale varianten op de internationale code (zoals die van het Genootschap van Hoofdredacteuren in Nederland, die van journalistenbond AVBB in Belgie, de in de wet verankerde beroepscode in Italie of het First Amendment van de Amerikaanse Grondwet, dat natuurlijk ouder is dan “Bordeaux”).

Nog een niveau lager bevinden zich de mediumspecifieke codes. Van The New York Times tot aan Dagblad van het Noorden, van Associated Press tot aan de BBC, van NOVA tot Netwerk (neem ik aan), van het Volkskrant-stijlboek (een bestseller die ook spellingsregels behandelt, maar ondertussen wel degelijk de interne gedragsregels uitlegt) tot dat van Trouw (idem).

Nationale codes hebben vaak een bredere strekking. Ze zijn niet altijd alleen bedoeld als handvat voor de beroepsgroep die naar zelfregulering streeft, zoals in Nederland het geval is. In een aantal landen is een journalistieke code opgenomen in de wet, of hebben losse gedragsregels voor journalisten een wettelijke kader gekregen zonder dat je van een samenhangende code kunt spreken. Wie gedragsregels in een wet opneemt, doet dat uiteraard niet meer alleen voor de beroepsgroep (om bijvoorbeeld een zwijgrecht te regelen) maar ook voor de buitenwacht, de burgers (bijvoorbeeld om het recht op wederhoor te verankeren, zoals dat in Belgie het geval is).

Alhoewel er blijkens een artikel in De Journalist her en der wordt getracht nationale codes en wetten te moderniseren, valt van mediaspecifieke huisregels – die bij uitstek bedoeld zijn voor zowel de eigen journalisten als het publiek van dat medium – allicht sneller iets te verwachten waar het gaat om internetjournalistiek. Toch ken ik – niet genoeg gezocht, nog – weinig voorbeelden, naast dat van mijn eigen krant, Dagblad van het Noorden.

De Nederlandse situatie

Wat zijn de leemtes in de Nederlandse journalistiek? In elk geval kunnen we vaststellen dat op geen enkel niveau – internationaal, nationaal, mediumspecifiek – iets geregeld is voor internetjournalistiek. Dat is raar. Waarom zou je geen code hebben voor internetjournalistiek als je die wel hebt, op elk niveau zelfs, voor alle traditionele journalistieke vormen? Tenzij we vinden dat de bestaande normen prima voldoen voor journalistiek op internet – wat ik bestrijd.

De vraag blijft staan waar je het regelt, en voor wie, en met welke praktische consequenties of zelfs sancties, maar het lijkt me buiten kijf dat het net als het ware vraagt om een eigen code. Of ten minste een specifieke interpretatie van de bestaande codes. Want het net kent eigenaardigheden en dilemma’s die je niet oplost met “Bordeaux”: wie is verantwoordelijk voor een link, wat is de status van een blog, zijn metasites journalistiek?

Misschien is de kernvraag van dit debat wel deze: wie is journalist en wat zijn zijn verantwoordelijkheden? Omdat in Nederland de journalistiek anders dan in menig buitenland een vrij beroep is, zonder “eigen” wettelijke rechten en plichten, en de beroepsgroep zichzelf reguleert, valt bij ons de scheidslijn tussen “burgers” en “journalisten” nog moeilijker te trekken dan elders. Nederlandse journalisten hebben geen van overheidswege verstrekte perskaart, kunnen zich ter bescherming van hun bronnen niet beroepen op een verschoningsrecht (zoals advocaten en artsen), maar hebben in hun doen en laten ook minder last van de overheid.

Overigens is er wel degelijk sprake van informele rechten en plichten: we hebben een politieperskaart die niet voor elke zich journalist noemende Nederlander binnen bereik is, terwijl ook niet elke weblogger met journalistieke aspiraties kan rekenen op een persaccreditatie voor een eredivisiewedstrijd. En verder houdt de rechter ook zonder wettelijk geregeld verschoningsrecht wel degelijk rekening met de wens van journalisten hun bronnen te beschermen; in elk individueel geval worden de belangen van journalist en eiser tegen elkaar afgewogen.

Wie is journalist?

De Raad voor de Journalistiek behandelt alleen klachten tegen beroepsjournalisten, zegt zijn statuut. Zolang de raad die definitie blijft hanteren, plaatst hij zich goeddeels buiten de discussie. Erg is dat niet: de raad heeft een eigen functie, die van laagdrempelig klachtenloket voor de burger. De leidraad van de raad is alleen al om deze reden ongeschikt als bredere journalistieke code. De leidraad zegt iets over beslissingen van de raad, niet over de mores van de journalistiek.

De beroepsgroep zelf zou het anders kunnen doen. Om met dat meest heikele punt te beginnen, stel ik deze definitie voor: een journalist is iemand die zich journalist noemt, onder het aanroepen van de ethische regels zoals die zijn geformuleerd in de journalistieke code. Met dit uitgangspunt weten journalisten waaraan ze zich te houden hebben, en weten burgers waarop ze zouden moeten kunnen rekenen (en weet niemand, als gezegd, wat de Raad voor de Journalistiek ervan vindt, want die oordeelt altijd achteraf; de sporadische uitspraken ex cathedra, zoals die over het gebruik van verborgen camera’s, bieden een veel te smalle basis).

Maar wat betekent het dat iedereen journalist kan zijn? Raakt de huidige beroepsgroep iets kwijt? Status bijvoorbeeld, of erger: zijn geloofwaardigheid, omdat amateur-journalisten zonder enige scholing zich op het nieuws gaan storten en met de beste bedoelingen geweldige onzin gaan verkondigen? Of valt er juist iets te winnen voor de gemiddelde dagbladschrijver en radiojournalist als die de amateur naast zich moet dulden, bijvoorbeeld omdat die amateur onwaarschijnlijk veel weet van heel weinig (terwijl de professional, zoals we weten, heel weinig weet van alles).

Update: zie ook deze post van Jeff Jarvis

[wordt vervolgd]