Een Tijd van Beweringen: de Mening als Mombakkes

We leven in een tijd van beweringen. We roepen van alles over alles. Dat zijn geen meningen, laat staan opinies. Hooguit zijn het meninkjes. Van de stelligheid waarmee we ze poneren, worden het beweringen. En soms niet meer dan politiek incorrecte bewerinkjes. Dat het nooit meer goed komt met het land, dat dat komt van de euro en van Den Haag en niet te vergeten van de media.

Vroeger, toen Pim Fortuyn nog geen premier wilde worden, had je feiten en opinies. Samen vormden ze de grondstof van een journalist. Die werd geacht feiten te brengen en soms een mening te hebben. Maar sinds iedereen zegt wat hij denkt, en denkt wat iedereen zegt, ligt dat anders. Sinds iedereen op internet zijn eigen “media” is geworden, is het land vergeven van beweringen.

Dat we leven in tijden van beweringen, beweer ik niet alleen. Het zou ook kunnen blijken uit de “leidraad” die de Raad voor de Journalistiek dit voorjaar publiceerde. De leidraad is een ethische beroepscode die van de beroepsgroep niet zo mag worden genoemd, omdat journalisten van het vrije woord houden en een broertje dood hebben aan al wat riekt naar inperking.

In de leidraad van de Raad staat dat de journalist een onderscheid moet maken tussen “feiten, beweringen en meningen”. Dat lijkt een open deur. Maar het is het niet voor wie zich realiseert dat journalisten nog maar twaalf jaar geleden niet meer hoefden te doen dan te waken over het verschil tussen feiten en meningen. Dat gebod stond in de gedragscode van het Genootschap van Hoofdredacteuren, een voorloper van de leidraad.

Wat is er gebeurd?

Van beweringen was bij publicatie van die code, in 1995, nog geen sprake.

Wat is er gebeurd?

Kennelijk is er ondertussen, toen we even niet opletten, iets veranderd in de samenleving. Dat iets was belangrijk genoeg om te worden opgenomen in de grondig doordachte, niet geheel pretentieloze leidraad.

Fijnproevers zijn het die verschil weten te maken tussen feiten, beweringen en meningen. Tussen feiten en meningen ligt een wereld, dat is waar, maar met beweringen wordt het wat listiger.

Beweringen hebben iets postmoderns. Ze zijn voorlopig, discutabel, voorwaardelijk. Ook zijn beweringen een beetje lui. Voor feiten en opinies moet je meer doen. Feiten moet je staven, opinies moet je hebben. Maar beweringen doe je – zoals je een boodschap doet.

Een bewering is een makkelijk soort feit, zoals zal blijken. En het is een mening als een mombakkes.

De feiten

Eerst de feiten. Die zijn bij uitstek de grondstof voor een journalist. Dat lees je in elke ethische code. Zoals een kruidenier doet in koffie en koek, doet een journalist in feiten.

Volgens Van Dale Online is een feit “een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid vaststaat”. Die “werkelijkheid” is “dat wat werkelijk is”, eventueel verduidelijkt als “hier en nu, realiteit”.

Een journalist die in feiten doet, komt natuurlijk nergens met die eerste toevoeging, omdat hij toch ook graag bericht over wat er even geleden in een vreemd land gebeurde.

De vraag is dus wat “werkelijk” betekent, of “realiteit”.

De tweede term, realiteit, is slechts een synoniem voor werkelijkheid; het gaat er dus om wat “werkelijk” betekent.

Niet de meest voor de hand liggende verklaring is “werkzaam”: werkend, een functie hebbend. Die betekenis brengt een journalist op zoek naar feiten ook al niet veel verder. Veel van zijn feiten gaan helemaal niet over mensen of dingen die “werken”, of een functie hebben. Waarbij, tussen twee haakjes, moet worden opgemerkt dat het curieus is dat pragmatici het begrip “wat werkt” gebruiken voor “de waarheid”.  Computerprogrammeurs zijn zulke pragmatici. Hun motto is: waar is wat werkt. Waarbij natuurlijk meteen opvalt dat Van Dale “de waarheid” er helemaal niet bij haalt om het begrip feiten te definiëren. Je kunt daarom vermoeden dat het verschil tussen “waarheid” en “feiten” groter is dan dat tussen “werkelijkheid” en “feiten”.

De eerste betekenis van werkelijk, is “wezenlijk bestaand”. Die helpt de journalist ondertussen wel iets verder.

Wat werkelijk bestaat, bestaat niet gewoon, maar wezenlijk. En wezenlijk wil zeggen: “fundamenteel”, of “de grondslag rakend”. En die grondslag is weer “datgene waarop een beschouwing, ontwerp, redenering en dergelijke berust”.

Waarmee we hebben geprobeerd “feiten” te definiëren, maar niet verder komen dan dat ze de grondslag zijn voor “beweringen en meningen”. En we dus kunnen proberen dat deel van het raadsel op te lossen.

Een feit kun je verifiëren

Journalisten hebben een reden van bestaan omdat ze feiten kunnen natrekken. Een feit kun je verifiëren of falsifiëren (“Het is nu twintig graden”). Voor een bewering geldt dat ook, alleen niet nu, niet hier, niet jij per se (“Het wordt vandaag twintig graden”). En met een mening kun je het alleen maar eens zijn, of oneens, maar te toetsen aan de werkelijkheid valt die niet, hooguit aan andere meningen (“Het is vandaag warm”).

Een bewering – dat wat beweerd wordt, een mening die men staande houdt (Van Dale) – is er in soorten en maten. Zo heb je boude beweringen, idiote en rake beweringen, leugenachtige en pronte beweringen.

Feiten zijn feiten. Ze kunnen hooguit vaststaan of keihard zijn (wat een pleonasme oplevert, net als witte sneeuw of oude grijsaard). Zachte feiten zijn geen feiten, maar vermoedens, theses of waarschijnlijkheden. Eigenlijk zijn het een soort beweringen, beweringen die nog niet gedaan zijn, die nog in de week liggen. Maar soms groeien zachte feiten ook uit tot harde feiten; dan waren het, zonder dat we het zeker wisten, al die tijd al gewoon feiten die alleen nog geverifieerd moesten worden.

Volgens sommige krantenlezers kom je in de media steeds meer meningen tegen in plaats van feiten. Die lezers zijn daar niet blij mee. Ze willen feiten, geen opinies. Ik vermoed – we leven in een tijd van beweringen – dat ze eigenlijk bedoelen dat ze meer en meer beweringen voorgeschoteld krijgen, als een wat minder sjieke vorm van opinies.

Beweringen zijn vaak “meninkjes”, opvattingen die eruit worden geflapt terwijl ze beter ingeslikt hadden kunnen worden. En anders zijn het wel de “zachte feiten” van hierboven. Het zachte feit is niet te controleren, vermoedelijk zelfs leugenachtig of gewoon niet waar.

Hoe men oordeelt

Beweringen hebben, zei ik al, iets postmoderns. Ze zijn voorlopiger dan feiten of meningen, ze hangen van voorbehouden aan elkaar, hoe stellig ze zich ook voordoen. Ze zijn wat de bezweringen waren in de premoderne tijd, het prevelen van een bijgelovige in de duistere middeleeuwen.

Bezweringen en beweringen verhouden zich beide tot feiten, tot de werkelijkheid, als gebeden tot geboden, als een formule tot materie, als stof tot klei, als een afbeelding tot haar object.

Een bewering lijkt me, om het nog iets minder ingewikkeld te formuleren, minder complex dan een mening (wat men van iemand of iets vindt, hoe men oordeelt, aldus Van Dale). Een bewering is meestal alledaagser, vluchtiger, minder gelaagd dan een mening kan zijn (al zijn er uitzonderingen: je hebt beweringen over het bestaan van god of de grootte van het heelal die uitgroeien tot eindeloze theses).

Duidelijker lijkt me een ander onderscheid. Een bewering heeft van zichzelf een voorbehoud. Een bewering is betrekkelijk, hoe stellig ook geformuleerd. Je doet een bewering en of die houdt snijdt moet nog maar blijken. Een mening doe je niet, die heb je. En geef je eventueel voor een betere.

Beweringen maken aanspraak op feitelijkheid. Daarin lijken ze, voor gelovigen tenminste, een beetje op God.

Meningen niet, die maken aanspraak op waarheid. Wie gelooft, claimt dat God ook de waarheid is, maar dat lijkt me overdreven.

Meningen zijn, anders dan feiten, niet verifieerbaar, maar kunnen hooguit meer waarde krijgen als ze door meer mensen worden gedeeld; ze worden dan meer “waar”. Beweringen worden waar als ze uitkomen, als ze feit worden, ongeacht of iemand daar iets van vindt, of hoeveel mensen er een mening over hebben.

Voor feiten en meningen, beweerde ik hier boven, moet je meer doen dan voor beweringen.

Een feit moet je controleren, een mening moet je onderbouwen.

Een bewering is een gemakkelijk soort feit, of een lui soort mening. Het lijkt een afsplitsing van beide, maar is dat niet.

Een bewering is geen feit, maar kan het worden. En ze is geen mening, maar doet zich heel vaak wel als mening voor.

Het is een mening als mombakkes.

Reacties zijn gesloten.