Mopperen op de media: de drogreden van Dommering

Veel wordt er gemopperd op de media. Burgers voelen zich het slachtoffer van een ongebreidelde pers. Dat wordt erger door de opkomst van nieuwe media, stelt een groepje juristen onder aanvoering van professor Egbert Dommering. Er moet nodig een ombudsman komen, zegt hij. En de NVJ kan voortaan bepalen wie zich journalist mag noemen. Maar Dommering lost een probleem op dat niet bestaat en laat een echt probleem liggen: de opmars van nieuwe media en het slinkende vertrouwen van de netgeneratie in oude media.

De media willen niet deugen, vinden nogal wat burgers, politici en juristen. De een verwijt de krant een gebrek aan fatsoen, de ander weet zich verkeerd geciteerd, een derde vindt überhaupt dat de media “het heeft gedaan”. Het wordt tijd, zeggen sommigen, dat de pers aan banden wordt gelegd. Als burger moet je tenminste snel en makkelijk verhaal kunnen halen, vindt bijvoorbeeld ook miljonair Hans Melchers die na de publiciteit rond de ontvoering van zijn dochter Claudia eind 2006 een “antimediafonds” in het leven riep.

Niemand bestrijdt dat het beter kan. Kranten en omroepen weten dat ze haastiger te werk gaan dan vroeger, en soms onzorgvuldiger. Ze gaan wat ruwer om met de privacy van bekende Nederlanders en zijn in columns af en toe botter dan mag. En ja, wie klaagt bij de Raad voor de Journalistiek, moet meestal maanden wachten op een uitspraak die vaak geen enkele genoegdoening verschaft omdat het “vonnis” tot niets verplicht.

Maar om nou te zeggen dat die Raad een lachertje is, zoals een studiegroep van juristen onder voorzitterschap van professor Egbert Dommering onlangs in iets diplomatiekere termen vaststelde?

De Raad voor de Journalistiek functioneert wel degelijk. Het draagvlak onder journalisten is groter dan Dommering suggereert, en uitspraken worden over het algemeen wel overgenomen. De Raad kan geen sancties opleggen, maar dat wil de beroepsgroep ook niet. Het chilling effect – je let wel beter op als de Raad je tot de orde heeft geroepen – is voldoende. De boze burger die meer wil, moet naar de rechter stappen.

Dat wil niet zeggen dat de Raad niet beter kan. Omdat hij vrijwel alleen standpunten inneemt op basis van klachten, is de Raad sloom in zijn reactie op nieuwe media: het lijkt nog steeds alsof internet voor de Raad niet bestaat. Het probleem van oude media – die hun publiek verliezen aan nieuwe media en daarmee in hun bestaan worden bedreigd – is daarmee ook het probleem van de Raad voor de Journalistiek geworden.

Omdat de netgeneratie even weinig respect heeft voor de Raad als voor de oude media, worden niet alleen de omzetcijfers van dagbladuitgevers en de budgetten van nieuwsprogramma’s op radio en televisie bedreigd. Met zijn uitspraken kan de Raad wel degelijk aangeven waar de grenzen van deugdelijke journalistiek liggen. Juist voor een nieuw publiek, dat zelf op dat nieuwe medium op zoek is naar normen, is het belangrijk vast te stellen wat journalistiek nou eigenlijk behelst, waarom het belangrijk is, waar feiten overgaan in beweringen, en wie voor welke mening verantwoordelijk is.

Maar dan moet dat nieuwe publiek wel een reden hebben om te luisteren.

Ombudsman
De studiegroep Dommering wil dat er een ombudsman voor de media komt, goedschiks of kwaadschiks: als de branche het niet zelf regelt, moet die ombudsman maar bij wet worden aangesteld, zoals in Denemarken. De klagende burger klopt eerst bij hem aan, en gaat eventueel in beroep bij de Raad voor de Journalistiek. Dat is volgens Dommering cs een Raad-nieuwe-stijl. Hij moet een scherper onderscheid maken tussen “tuchtrechtelijke” uitspraken en maatregelen die de klager genoegdoening geven. Wie dan nog ontevreden is, moet alsnog, net als nu, een beroep kunnen doen op de burgerrechter.

Met die suggesties is weinig mis. Bij de uitspraken van de Raad lopen het oordeel en de “straf” inderdaad door elkaar heen. Het zou beter zijn als het college vaker dan nu ambtshalve uitspraken deed. Bovendien kan het aanstellen van een ombudsman, zoals Dommering voorstelt, de klachtprocedures versnellen. Maar onder dit advies liggen voorwaarden waar ik me minder bij thuis voel. De belangrijkste is de gedachte dat een journalist zich pas journalist zou mogen noemen als hij zich aansluit bij een vereniging die waakt over de journalistieke gedragscode.
De studiegroep van professor Dommering denkt die drempel nodig te hebben omdat je, zodra je iets van wet- en regelgeving opstelt, nu eenmaal moet vaststellen voor wie die regels gelden (dat wil althans de klassieke wijsheid; over een alternatief straks meer). Met de vooral op internet levende meme dat iedereen journalist is, schiet dat natuurlijk niet op. Je kunt wel regels bedenken voor “iedereen”, maar wie gaat zich daaraan houden, wie gaat ze handhaven, wat moet je doen bij overtreding van de regels?

Een tikje plompverloren stelt de studiegroep dat de NVJ maar de vereniging moet zijn die gaat waken over de journalistieke code. De vakbond voelt daar niks voor. Journalistiek, zeggen NVJ-secretaris Thomas Bruning en journalist Agnes Koerts, is een vrij beroep en dat moet zo blijven. Enige vorm van zelfregulering is prima, maar wettelijke maatregelen die verder gaan dan de al bestaande wetgeving over bijvoorbeeld smaad, is in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Ik ben het daar hartgrondig mee eens, al was het maar omdat ik geen lid van de NVJ wil moeten worden, noch lid van enige andere organisatie, om mij journalist te kunnen noemen.

Dommering zegt dat “vrijwillige aansluiting” bij een beroepsvereniging die “handhaving van de beroepsethiek als een van haar doelstellingen ziet [] onontkoombaar” lijkt. Waarom dat onontkoombaar is, legt de studiegroep niet uit (ik concludeer maar dat het een gemakkelijke, clichématige gedachte is). Maar de implicaties zijn erger: hoe gaat de NVJ die beroepsethiek handhaven? Moet je na twee veroordelingen door de Raad op een strafbankje, en volgt bij de derde overtreding uitsluiting en excommunicatie?

Verwatering
Het plan-Dommering lost met veel te zware middelen een niet heel erg groot probleem op – van de mediabashing door critici als Teeven, Melchers, Donner en Van Hulten moeten we niet al te lang wakker liggen, want die is terug te voeren op persoonlijke politieke frustratie of begrijpelijke ergernis over een geïsoleerde fout. Pijnlijker vind ik het dat Dommering wel constateert dat de mediabranche verwatert, maar de problemen die dat met zich meebrengt – en die zijn er wel degelijk – van zijn bordje schuift. De studie beperkt zich niet tot pers en omroep en kijkt ook naar interactieve media op internet, maar doet per saldo weer niets met die interactieve, nieuwe media.

Dat begint met de vaststelling wie journalist is, en wat een nieuwsmedium mag worden genoemd. Een journalist moet lid zijn van een vereniging als de NVJ, zegt Dommering, die zelf ook wel snapt dat je daarmee tienduizenden nieuwe burgerjournalisten, bloggers en amateur-camjo’s buitensluit, al was het maar omdat het ongeorganiseerde, tegendraadse, niet-elitaire en desnoods antiburgerlijke nou juist de kern is van internetmedia. De aanpak van Dommering lijkt veel te topdown voor een nieuwemediacultuur die dankzij de mogelijkheden van de techniek juist bottom-up georganiseerd is. Wie wil dat journalistiek relevant blijft voor de netgeneratie, moet het anders aanpakken.

In het voorstel van Dommering heeft de nieuwe ombudsman alleen iets te zeggen over nieuwsmedia. Maar wat zijn dat? Het voorstel stelt vast dat er tal van nieuwe nieuwsmedia zijn, zelfs sites die worden gevuld met “nieuwsberichten” die nauwelijks aan redactionele controle onderworpen zijn (hier wordt GeenStijl genoemd, waarvan je veel lelijks zou kunnen zeggen, maar niet dit). Ook ziet Dommering wel dat oude media zich met sites en blogs en burgerjournalistiek bezighouden. Zelfs het grote belang van nieuwe media, voor velen de enige nieuwsbron, wordt onderkend.

Maar de vraag hoe je die vervagende branche vervolgens weer bindt aan strakkere fatsoensnormen, beantwoordt Dommering niet. Je kunt het waarschijnlijk niet meer aan die verwaterde beroepsgroep overlaten, zegt de studie. Het moet dus bij wet worden geregeld (aldus de grootst mogelijke meerderheid in de studiegroep; zou jurist en NRC-medewerker Frank Kuitenbrouwer, de enige journalist in de commissie, die afvallige zijn geweest?). Dat zware middel wordt echter alleen in stelling gebracht tegen oude media, want Dommering beperkt de zeggenschap van de ombudsman meteen al weer tot “mediaproducten”.

De definitie die Dommering van “mediaproducten” geeft is rommelig. We zouden “aansluiting kunnen zoeken” bij wat in de communicatiewetenschap “gangbaar” is. We moeten kijken naar beschrijvingen van lineaire en non-lineaire media volgens de Europese Televisie-zonder-Grenzen-richtlijn, hetgeen – zegt Dommering – betekent dat “interactieve media, die individueel door een gebruiker geraadpleegd worden”, buiten beeld blijven. Dommering: “De publieke uitlatingen van individuele bloggers, die niet onder de redactionele verantwoordelijkheid vallen van een mediabedrijf, vallen er dus ook buiten.”

Redactionele verantwoordelijkheid?
Dommering gaat kopje onder in zijn dilemma’s. Ik ken geen interactieve media die individueel door een gebruiker worden geraadpleegd. Wat je in je eentje raadpleegt, lijkt me bij uitstek niet interactief. En omgekeerd denk ik dat interactieve media juist doorlopend door meer mensen tegelijk worden “geraadpleegd” – het net is bij uitstek een medium voor groepen. Zou Dommering eigenlijk vooral en evident tevergeefs op zoek zijn geweest naar het tegenovergestelde van de tot nu toe dominante massamedia?

Bij de opmerking over bloggers gaat het nog dramatischer mis. Waarom zou je over individuele bloggers praten, als we weten dat er ook groepsblogs zijn (zoals Sargasso of nota bene GeenStijl)? In feite zoekt Dommering zijn heil in de “redactionele verantwoordelijkheid van een nieuwsbedrijf”: wat dat precies is, beschrijft de studiegroep niet. Je moet dus maar aannemen dat we ook hier weer “aansluiting kunnen zoeken” bij wat “gangbaar” is. Een nieuwsbedrijf moet dan wel een krant of omroep naar vertrouwd model zijn.

En zo zijn we terug bij af. Dat is raar. Want waar was het Dommering om begonnen? Het ging toch juist om die vermaledijde brancheverwatering? Het probleem was toch dat de normen van fatsoen en maatschappelijke aanvaardbaarheid in het gedrang komen nu berichten steeds vaker via het internet en zonder redactionele controle worden verspreid? Die verwatering, zegt Dommering, maakt het nodig dat burgers snel en makkelijk verhaal kunnen halen. Maar hoeveel eenvoudiger wordt dat als je de onverlaten van de nieuwe media op voorhand buiten sluit?

De ombudsman mag zich beperken tot uitgevers van mediaproducten en hoeft niet te kijken naar “individuele bloggers”, zegt Dommering, omdat het toch vooral moet gaan om consumentenbescherming. Impliciet beweert Dommering dat de consument van die bloggers niet zoveel te vrezen heeft. Waarmee de bodem wegvalt onder het advies: die verwatering van de media en de gevreesde opmars van internet waren eigenlijk weinig meer dan drogredenen om de oude massamedia aan te kunnen pakken.

Hoe kan het wel?
Waar de branche steeds breder wordt, waar steeds meer niet-professionals claimen dat ze journalist zijn, en waar verstandige mediabedrijven juist aansluiting zoeken bij wat gangbaar is op internet met sites als Volkskrantblog of fora als Comment is free van The Guardian, zou regulering van de journalistiek juist niet topdown moeten worden geregeld. Niet de NVJ of een alternatieve vereniging moet vaststellen wie journalist is, maar die journalist zelf moet kunnen bepalen of hij zich, samen met een redactie of desnoods in zijn eentje, aan een gedragscode houdt.

Die gedragscode moet niet worden opgelegd en gehandhaafd door een wettelijke ombudsman, een beroepsvereniging of een Raad, maar bottom-up uit de samenleving ontstaan. Dat klinkt allicht wat nieuw en arbeideristisch, maar is ook weer niet zo ongebruikelijk: wiki-software is behalve door de internetencyclopedie Wikipedia ook wel door bedrijven en organisaties ingezet om ingewikkelder vraagstukken op te lossen. Laat het publiek van de netgeneratie maar zelf bepalen welke informatie deugt en welke niet, welk medium de moeite waard is en welk forum niet.

Met internet gaat het vaker zo: als het netwerk een probleem oplevert – te veel informatie, te weinig betrouwbaarheid, te veel sites, te weinig solide reputaties – dan blijkt de oplossing op den duur ook in het netwerk te kunnen worden gevonden. Google ontsluit informatie beter dan we ooit konden voorzien, gebruikersgroepen als Digg bepalen welk nieuws de moeite waard is, metasites als del.icio.us en www.share.OPML.org wijzen de weg, en slimme reputatiesystemen maken veilige handel op eBay mogelijk.

Zelfregulering van de journalistiek hoort niet langer bij de branche thuis, maar bij de journalist zelf . Dat vereist een andere denkwijze. Die legt de verantwoordelijkheid voor een krantenartikel, tv-column of blogpost niet meer bij een redactionele organisatie, maar lager, dichter bij de grond, bij de grassroots zeg maar – bij het individu dus. Het is even wennen, maar biedt de beste garantie op een hernieuwd en nieuw vertrouwen in de journalistiek.