The Cult of the Amateur: ouders, pas op je kroost

Geen watje, die Andrew Keen. Gelet op de commotie nog vóór het verschijnen van The cult of the amateur, een boek waarin onze beschaving het aflegt tegen internet en Web 2.0, leek Keen een geducht netcriticus. Je zag hem overal. Meteen na de lancering van zijn boek, begin juni, werd hij per vliegtuig en limousine van het ene optreden naar de volgende tv-show gebracht. Met zijn morele appèl – “redt onze cultuur!” – was Keen zijn eigen hype geworden.

Keen is een in Berkeley woonachtige Brit die tevergeefs trachtte in Silicon Valley een online muziekbedrijf op te richten. Hij was een gelovige van de dotcomeconomie totdat hem de schellen van de ogen vielen tijdens een weekendje op het Californische landgoed van uitgever Tim O’Reilly. Samen met tweehonderd andere mediaspecialisten mocht hij hardop nadenken over wat toen “Web 2.0” ging heten, het nieuwe internet.

Maar Keen deed niet mee.

Hij keek rond en zag dat het niet deugde.

Domheid

Wat werd verkocht als de democratisering van informatie, ontdekte Keen, is de dictatuur van de domheid. De aanhangers van het nieuwe web beweren dat amateurs samen meer weten dan die ene expert. Maar nu ze hun eigen blogs en YouTube-filmpjes maken, moet goede smaak wijken voor onbenul. Leggen feiten het af tegen leugens. Niemand die het checkt. Langzaam verwordt, aldus Keen, onze cultuur tot een kakofonie.

De literaire agent die in een eerste onbeholpen aanzet van The cult of the amateur een potentiële bestseller ontdekte, zag het scherp. De timing klopte. De Web 2.0-hype was toe aan een stevige relativering. Maar de agent begreep vooral dat de oude media snakten naar Keen. Het was hun wereld die aan het wankelen was, maar zo slecht ter been waren ze nog niet of ze konden van een geraffineerd opgeleukt pamflet nog wel een hit maken.

De gevestigde orde, belaagd door amateur-journalisten en anonieme reaguurders en in de steek gelaten door een publiek dat liever naar RTL Boulevard kijkt dan naar Netwerk, had in Andrew Keen zijn verlosser gevonden. Een welopgevoede Brit die hardop zei dat de cultuur naar de verdommenis gaat als we de kennis en de smaak en het oordeel van experts verruilen voor de wisdom of crowds, voor de cultus van de amateur.

Spiegelpaleis

Keens feiten deugen. Veel onzin, vuiligheid en bedrog gedijt op internet als nergens anders. Sinds elke ziel met een laptop er zijn hart kan luchten, is het net een narcistisch spiegelpaleis geworden waarin je elke aberratie kwijt kunt. Sinds Google alles over iedereen bijhoudt en we maar moeten geloven dat die aardige jongens niets kwaads in de zin hebben, wordt onze privacy bedreigd. Nu alle “content” digitaal wordt nagemaakt, en gratis via internet wordt rondgepompt, gaat de bestaanszekerheid van schrijvers, muzikanten, journalisten, filmmakers en uitgevers naar de vaantjes.

Keen waarschuwt dat onze “cultural standards en moral values” worden bedreigd (bij ons bekend als “normen en waarden”). De instituties die waakten over die normen, de media van een spraakmakende elite, worden overlopen door een horde vuilbekkende non-valeurs. Trollen en querulanten nemen de macht over in de media, het net wordt overspoeld door een tsunami van buurvrouwenporno en webcampederasten, terwijl Google er met de cookies en de buit vandoor gaat.

Bloggers – nog steeds volgens Keen – worden nimmer aangesproken op hun flauwekul, ze gaan niet de gevangenis in omdat ze geen bronnen willen prijsgeven, niemand roept ze ter verantwoording. “Amateur-journalistiek,” zegt Keen, “trivialiseert en corrumpeert het serieuze debat. Het is de degeneratie van de democratie tot een bewind van de meute en de geruchtenmolen.” En: “De YouTubification van de politiek bedreigt de burgerlijke cultuur. Het infantiliseert het politieke bedrijf, legt het publieke debat het zwijgen op…”

Amateur

Het is waar: kranten verdwijnen en porno rukt op. Maar om nou te zeggen dat dat allemaal geschiedt uit naam van de amateur, is natuurlijk flauwekul. Jongeren halen hun informatie van internet. Ze lezen geen kranten, noch luisteren ze naar de radio. Maar als je daar Web 2.0 de schuld van geeft, suggereer je dat de evangelisten van social software, lieden als O’Reilly, de ontlezing sinds de jaren vijftig op hun geweten hebben. En, kwalijker, dat dit proces omkeerbaar zou zijn als je de amateur het zwijgen oplegt.

Je kunt die amateur niet alles in de schoenen schuiven. Porno en spam en internetfraude zijn het domein van professionals. Web 2.0 – dat wil zeggen: de meme van online samenwerking – heeft handige sites opgeleverd zonder welke een schat aan informatie niet zo toegankelijk zou zijn als nu. Wie Wikipedia gebruikt voor wat de encyclopedie waard is, een vertrekpunt en niet het laatste woord, kan er veel aan hebben.

Keen is naar eigen zeggen technofoob noch conservatief, maar vindt dat we de beschaving moeten redden uit de klauwen van de amateur. Hij staat pal voor het auteursrecht, en stelt de kennis van de expert boven de wisdom of crowds. Hij denkt dat videoplatforms als Joost meer toekomst hebben dan YouTube omdat ze onderscheid maken tussen producenten en consumenten. Hij vindt dat ouders hun kroost beter in de gaten moeten houden (“zet die pc in de woonkamer”) en dat de overheid strenger moet optreden tegen online gokken en piraterij.

Zoals Keen alle kwaad vanaf de schepping toeschrijft aan de cultus van de amateur, zo blijkt hij uiteindelijke een naïeve, elitaire moralist die het niet kan verkroppen dat zijn favoriete platenzaak moest sluiten. Hij heeft lef, maar overschreeuwt zichzelf en loopt met een grote boog om de echte vraagstukken heen: wat moeten media met een net dat niet meer weggaat, met burgers die niet meer zullen zwijgen, en journalisten die maar moeizaam wennen aan het idee dat ze het niet meer alleen voor het zeggen hebben?

Reacties zijn gesloten.