Horen, zien en ruiken

1 juli 2007 Geen categorie 22

Andrew Keen in The Cult of the Amateur, Jaron Lanier en een lange rij schrijvers vrezen dat het net de cultuur zal vernietigen. De anonieme meute walst over het unieke talent van het individu heen, zeggen ze. In dat online collectief verdwijnt de stem van de enkeling en waar dat toe leidt, weten we, aldus de critici: een totalitair systeem dat onmenselijk is en destructief.

De angst van deze netcritici is voorstelbaar. De geschiedenis heeft uitgewezen dat collectivisme tot geweld leidt. Er zijn film- en videobeelden die aan je netvlies blijven kleven: Hitler die duizenden aanhangers toespreekt in een stadion, hordes voetbalsupporters of opgejaagde betogers die door de straten golven, mensen die verpletterd worden door de paniek van de massa.

Klassiek patroon. De meute deugt niet. Maar is een collectief online per se vergelijkbaar met een horde die je kunt zien, horen en ruiken? Of is die fysieke aanwezigheid al een eerste belangrijk verschil tussen een destructieve menigte en een onbaatzuchtig collectief zoals we dat bijvoorbeeld uit de open source wereld kennen?

Ik ben er niet zeker van. Ook online collectieven kunnen gewelddadig zijn; denk aan de lynch mobs van GeenStijl en andere afzeiksites. Behalve dat groepsgedrag kennen we natuurlijk ook het gezeur en getrek van de trol, de anonieme eenling die de massa gebruikt om, nou ja, trol te zijn: lastig, parasitair, soms destructief, verongelijkt.

Netcritici als Lanier zien in de anonimiteit van het online collectief het grootste probleem. En natuurlijk heeft hij een punt. In totalitaire systemen wordt de eenling ondergeschikt gemaakt aan het collectief. Je raakt je naam kwijt, je wordt een nummer. Het individu wordt gedwongen anoniem op te gaan in de massa – geen prettige associatie.

Maar de vergelijking gaat niet helemaal op. Een online collectief is geen staat: meestal is dat collectief een one-issue-beweging die opkomt en weer verdwijnt, die voortdurend van samenstelling en zwaartepunt verandert, die – zou Bauman zeggen – vloeibaar is. Het gegeven dat je elkaar juist niet kent, zou kunnen helpen verklaren waarom zo’n netcollectief eerder goed dan kwaad doet.

Dat lijkt me een dwarse gedachte: hoe beter de ene meute de andere kent, hoe langer ze tegenover elkaar stonden, hoe intenser het fysieke contact (tot op het punt dat je de ander voelt), des te groter de kans dat het collectief ontspoort. Waaruit zou volgen dat een online massa minder destructief is naar mate zij een minder generiek doel heeft en de individuele leden minder individu zijn (geen naam, geschiedenis, geur en uiterlijk hebben, bijvoorbeeld).

Ik realiseer me dat die laatste conclusie niet klopt: soms werkt het als de leden van een online collectief elkaar alleen kennen van wat ze aan het collectief bijdragen; denk aan open source programmeurs die elkaar kennen van een nick en van de code die ze schreven. Het is in zulke gemeenschappen not done om je ook op een andere wijze te profileren. Maar gezichtsloze anonimiteit is een garantie voor problemen als die sociale controle van een collectief niet functioneert. Wat is het verschil, vraag ik me af.

Update: Lees in dit verband ook Wilbert Baan over privacy & identity.

[Deze post maakt deel uit van De Metacratie, een boek dat ik – net als eerder PopUp – schrijf als open source project]

Reacties zijn gesloten.