Ach, leefde Martin van Amerongen nog maar

9 november 2007 Geen categorie 11

Wanda Perez won de Martin van Amerongen Prijs voor een essay waarin zij over bloggers schrijft als een middeleeuwse kwakzalver over venerische ziekten: vol afschuw maar zonder kennis van zaken. Het artikel is even dom, verwaand als grievend.

Wanda Perez heeft een heel dom én een uitzonderlijk slim stuk geschreven. Dat ze dat deed met één en hetzelfde artikel is een prijs waard, zij het niet de Martin van Amerongen Prijs. Die kreeg ze niettemin voor het stuk, dat als Een blog voor je kop vorige week verscheen in De Groene Amsterdammer.

Van Amerongen zou zich, als hij het las, omdraaien in zijn graf, grijnzend een sigaar opsteken en met Perez de kachel aanmaken.

Van alle dode schrijvers en journalisten die ik ken, is Van Amerongen de beste. Een prijs naar hem vernoemd verdient een betere laureaat dan het wicht Wanda, dat jonglerend met adjectieven maar beneveld door die schoonschrijfdwang verstrikt raakt in een vendetta met reaguurders, GeenStijl en bloggers in het algemeen.

Slim, uitzonderlijk slim zelfs voor iemand die ook zo dom blijkt te kunnen zijn, is Perez in de keuze van haar onderwerp. De wereld gaat aan het net ten onder, betoogt ze. De oude media hollen mee naar de afgrond. Ze laten zich in met het gemene volk, ook wel bekend als lezers, voor wie zij uit vulgair winstbejag door de knieën gaan.

Wie geknipt wordt
Dat thema is de laatste tijd hip. Lang hebben intellectuelen zich over het volk niet durven uitlaten. Elitaire standpunten – wij weten wat goed voor hen is – lagen niet lekker in de nadagen van de Fortuyn-revolte. Wie geknipt wordt, moet stilzitten, dachten schrijvers, politici en journalisten die nooit anders gewend waren geweest dan dat ze hun vak uitsluitend bedreven voor elkaar.

Maar recent keert het tij. De elite roert zich, beklimt de zeepkist en tracht te redden wat er te redden valt. Enig opportunisme wordt niet geschuwd, en wat meteen opvalt is het hartgrondig conservatisme dat je misschien zou verwachten van een rechtse elite, maar niet van een sector – media, wetenschap en politiek – die te boek stond als vernieuwingsgezind, hier en daar als overwegend progressief, zeg maar links.

Wanda Perez voelt goed aan dat elitisme weer mag. Misschien heeft ze Andrew Keen gelezen, de gefnuikte internetondernemer die de cultuur naar de donder ziet gaan door het net. Of zou ze louter de reacties op Keens boek, The cult of the amateur, hebben doorgenomen, de opgeluchte bijval van wat oudere auteurs die na jaren van grote verwarring – wat gebeurt er toch in die poel van verderf? – eindelijk weer grip kregen op hun bestaan – alsof meneer pastoor zijn schaapjes het leven na de pil had uitgelegd.

Was het maar waar
Perez vergaloppeert zich waar ze de media ervan beticht mee te huilen met de wolven in het bos. Was het maar waar. Was het maar zo dat hoofdredacties van klassieke dagbladen zich genoeg gelegen lieten liggen aan nieuwe media. “Veel mediaconcerns liepen warm voor dit visioen van de gedigitaliseerde burgerjournalistiek”, beweert Perez. Ze noemt twee voorbeelden, Talpa en PCM, die inderdaad samen aan Skoeps begonnen, maar gaat gemakshalve voorbij aan het feit dat een mediaconcern niet samenvalt met zijn hoofdredactie, terwijl veruit de meeste mediaconcerns het net de afgelopen vijftien jaar liever negeerden: al die nieuwlichterij kostte maar geld waarvan geen enkele internetgoeroe kon vertellen hoe je het ging terugverdienen.

Perez rekt de werkelijkheid op. Dat mag in een polemisch stuk, een snufje Dichtung is geoorloofd, zei Van Amerongen zaliger al, maar het moet in essentie wel blijven kloppen. Je moet geen apekool verkopen of, weet elke streetwise journalist, tenminste geloofwaardig verstand van zaken kunnen simuleren.

De arme Perez doet een naief wicht na, en dat doet ze niet onaardig. Zij verwart hoofd- en bijzaken. Ze beschrijft een wereld die ze niet kent, en waarschijnlijk niet wil kennen omdat ze net zo elitair en behoudzuchtig is als het publiek dat ze tracht te behagen. Ze schrijft over bloggers en burgerjournalisten als een kwakzalver over venerische ziekten, vol afschuw maar zonder kennis van zaken, en geheid zonder remedie.

Zeventien miljoen
Dankzij Google, waarschuwt Perez, is internet ineens een alwetende Big Brother. De “digitale snelweg” – och, afgelebberde metafoor – wordt bewaakt door een internetpolitie. De internetgoeroes van de jaren negentig voorspelden een Nieuwe Tijd waarin “iedere aardbewoner” burgerjournalist zou worden, wat bij ons resulteerde in een “oudtestamentische plaag” van zeventien miljoen reporters in spe. Hier is alleen die Bijbelse metafoor verdienstelijk, want het is een typische Van Amerongenwending. De rest is flauwekul: vijftien jaar geleden had niemand het over burgerjournalisten, en dat er nu zeventien miljoen burgerjournalisten zouden zijn is even dwaas als de bewering dat De Groene zeventien miljoen abonnees heeft.

Er is geen Big Brother. Er bestaat geen internetpolitie. Die goeroes van tien jaar geleden waren minstens even vaak sceptisch als euforisch (denk aan Francisco van Jole, die als superieure dwarsdenker godlof al van zijn geloof viel voordat hij volgelingen kon krijgen). In werkelijkheid heeft maar een hele kleine minderheid van de bloggers de ambitie, de lust of het vermogen “reporter” te worden.

Dat veruit de meeste bloggers oninteressant zijn voor een massapubliek of voor een intellectuele elite, is nogal wiedes. Ze hebben die massa niks te melden; dat beweren ze ook niet. Het is al hautain zulke huis-tuin-en-keuken-bloggers te verwijten dat ze rommel produceren, maar wie de kleine categorie voortreffelijke bloggers niet ziet, is ofwel kwaadwillend, ofwel stekeblind.
Je doet alsof, in een land van zondagsdichters, Hugo Claus en Gerrit Kouwenaar niet kunnen bestaan.

Gerief
“De gemiddelde blogger”, schrijft Perez vinnig, “ontleent zijn gerief aan het uitstoten van een permanente stroom van beledigingen en verwensingen en leeft bij de gratie van een peilloze haat, die hij dankzij de anonimiteit die het blog biedt ongelimiteerd de wereld in kan spuien. De blogger is de wrekende hand van de ontevreden burger, verwikkeld in een digitale guerrilla met alles wat naar autoriteit ruikt. Het is in die zin een typisch post-Pim-fenomeen.”

Klok horen luiden. Nergens klepel gezien.

Perez verwart de makers van GeenStijl (“een beperkt groepje autisten”) met bloggers, bloggers met reaguurders, en een paspoort met een IP-adres. Je kunt veel lelijks zeggen over GeenStijl, en dat doe ik soms, maar het is niet nodig de makers op één lijn te zetten met die paar honderd idioten die de comments van GS vervuilen met taaldrek en puberpus.

Perez verwart bloggers met reaguurders, of eigenlijk met een bepaald type reaguurder, de trol. Het is waar: verongelijkte internettrollen zijn even hinderlijk als de querulanterige brievenschrijvers van vroeger. Comments op nieuwssites zijn zelden verheffend. En veel politieke blogs slaan inderdaad een populistische toon aan. Maar wie die categorieeën op één hoop gooit, en het dieptepunt uit die hutspot gelijk stelt aan het niveau van alle bloggers, schiet lelijk door.

GeenStijl is niet het gemiddelde blog. Als het al een weblog is – wat maar de vraag is, ook voor GS zelf – is het een a-typisch blog. Het is een massamediumpje, in bereik groter dan de Volkskrant online, terwijl de meeste blogs gemeen hebben dat ze een kleine tot uiterst kleine doelgroep bedienen.

Een eenling
De gemiddelde blogger bestaat niet, evenmin als het gemiddelde boek. Juist de verscheidenheid, het persoonlijke, is wat blogs tot blogs maakt. Maar zelfs als Perez per ongeluk de nuance zoekt, en zich beperkt tot blogs die zich richten “op het publieke debat over actuele kwesties”, zelfs dan glijdt ze uit. Dit type blog, beweert ze, “is het domein van de eenling, voortgekomen uit contramine, en bijna stelselmatig behept met de nare putlucht van de paranoia.”

Dit is niet alleen dom en verwaand, het is ook grievend voor de honderd en nog wat bloggers die ik bijna dagelijks volg om op de hoogte te blijven over “actuele kwesties”, voor zover die zich afspelen op de terreinen van media, technologie en marketing. Die honderd en nog wat bloggers zijn zonder uitzondering vakkundig, ze zijn specialist op die terreinen, omdat ze journalist zijn, wetenschapper, programmeur of marketeer en over hun professie in de marge van hun gewone bestaan zeer leesbaar blijken te kunnen schrijven.

Zoals zij over hun specialisme schrijven, doen weer andere deskundigen dat op andere terreinen. Lang niet altijd zijn het professionals, maar bijna altijd zijn het experts. Bij uitstek zijn het eenlingen, maar van paranoia heb ik nooit iets gemerkt.

Ik voel me met die bloggers geschoffeerd door het eloquente onbenul van Wanda Perez. Ach, denk je dan, leefde Martin van Amerongen nog maar.

[Dit stuk verscheen ook op De Nieuwe Reporter]

Reacties zijn gesloten.