Wie is er blij met dat verschoningsrecht?

Minister Hirsch Ballin van Justitie en een deel van de Tweede Kamer willen het verschoningsrecht voor journalisten gaan regelen bij wet. De NVJ is daar heel blij mee – totdat Hirsch Ballin in reacties laat doorschemeren dat natuurlijk niet iedereen straks van dat zwijgrecht gebruik kan maken; niet iedereen zal zich zomaar journalist kunnen noemen.

Daar heeft ook Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ, het moeilijk mee. En terecht. Als journalisten nu weigeren hun bronnen te noemen, kan de rechter eraan te pas komen als ze de gevangenis ingaan. Die rechter beoordeelt dan of de journalisten zich terecht beroepen op hun positie van journalist.

Wie journalist is, is geen probleem, hoorde ik Bruning op de radio zeggen. De NVJ is voor een ruime interpretatie. Ook een weblogger kan journalist zijn. Het is een vrij toegankelijk beroep. Niemand, en zeker de overheid niet (of de NVJ, zoals de commissie Dommering voorstelde), moet volgens mij kunnen bepalen wie journalist mag zijn, of wie – als ‘t ze niet meer bevalt – dat recht verliest.

Hirsch Ballin was geen voorstander van een wettelijk geregeld verschoningsrecht. Hij vond het niet nodig, en dat was het ook niet. Naar aanleiding van de Britse Goodwin-zaak – die leidde tot een uitspraak van het Europese Hof – is de jurisprudentie in Nederland al veranderd. Sinds de zaak-Van den Biggelaar kent de Hoge Raad ook een beperkt zwijgrecht aan journalisten toe.

De gevangenneming van journalist Koen Voskuil – toen van Spits! – gedurende achttien dagen liet echter zien dat die jurisprudentie niet door elke rechter hetzelfde werd geinterpreteerd. Nu het Europese Hof voor de Rechten van de Mens Nederland in de zaak-Voskuil op de vingers heeft getikt, voelt Hirsch Ballin zich gedwongen toch iets in de wet te regelen.

Ik weet niet of we er per saldo blij mee moeten zijn. De facto zal er voor journalisten niet zo veel veranderen: nog steeds moet de rechter bepalen of ze zich terecht beroepen op een verschoningsrecht. Maar storender is dat Hirsch Ballin zal proberen de journalistiek te reguleren. Je moet een perskaart hebben en lid zijn van de NVJ om te journalist te mogen noemen, suggereert de VVD nu al.

Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ging er al vanuit dat journalisten een bijzondere groep zijn, met in sommige gevallen rechten die de “gewone burger” niet toekomen. En niet elke journalist heeft evenveel zwijgrecht, vond het Hof: het moet wel om “serieuze journalistiek” gaan. En de laatste vraag is, wie dat bepaalt, of mag bepalen.

De NVJ vindt dat de beroepsgroep dat zelf moet doen, en daar zit wat in. Liever de beroepsgroep dan de minister. Maar met dat mooie streven zijn we er niet, want wie bepaalt wie tot de beroepsgroep behoort? Dat was tien jaar geleden eenvoudig: iedereen die voor een serieus medium werkt. Maar met internet is het veel moeilijker te beoordelen. Niet dat iedereen ineens journalist is, uiteraard niet, maar er is een nieuwe categorie bijgekomen waarop de oude beroepsgroep misschien niet zit te wachten. En dat, vind ik, verdraagt zich slecht met de vrijheid van meningsuiting.

Een wettelijke regeling van het verschoningsrecht voegt weinig toe, maar leidt tot nieuwe onduidelijkheden (lees bijvoorbeeld dit overzichtsartikel). De NVJ, begrijp ik van Bruning, kijkt belangstellend uit naar het gesprek dat Hirsch Ballin met de journalistenbond zegt te willen hebben. Dat snap ik wel. Ook de NVJ voelt aan dat je om een verschoningsrecht kunt vragen en persbreidel kunt krijgen.

[noot: in een eerdere versie van dit stuk haalde ik een vorige en de huidige minister van Justitie door elkaar. Mogelijk zaten Donners bemoeienis met de pers en de GPD-affaire me even in de weg]

Reacties zijn gesloten.