De Naakte Mens en het Recht op Eenzaamheid

Wij zijn allen bekende Nederlanders en daar zullen we in tijdens van internet tot op zekere hoogte mee moeten leren leven. Tegegelijkertijd staat de wet pal voor onze privacy. We hebben het recht met rust gelaten te worden, we zijn eigenaar van ons eigen profiel bij Hyves, en we hoeven niet op elke website herkenbaar te zijn. Tenzij het een journalistieke site is, dan gelden andere regels.

Dezer dagen publiceert het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) de definitieve richtsnoer voor privacy online. Die zal er onder andere op neerkomen dat niet elke site zo maar persoonsgegevens mag verzamelen en gebruiken. Je hebt het recht je profiel te laten verwijderen. Er zijn twee zaken die mij bezig houden: de spanning tussen deze CBP-regels en de beleving op het net, en de journalistieke privacy-mores.

Recent onderzoek bevestigt wat je al jaren kon vermoeden. Jongeren tillen veel minder zwaar aan privacy dan veertigplussers. Op hun netprofiel staan naam en achternaam, 06-nummer en studie, foto’s van hun slaapkamer en van die vakantie met vrienden in Turkije. Privacy is een illusie, zeiden twee van de drie ondervraagde jongeren in een Digibewust-onderzoek.

De moderne mens is naakt op internet, en weet dat. We weten alles van elkaar, en kunnen daar best mee leven. Je vraagt je af of de CBP-regels voldoende rekening houden met die perceptie, of juist bedoeld zijn om iets te herstellen – het recht op eenzaamheid, misschien – dat eigenlijk al onherstelbaar stuk is.

Journalistiek

Volgens het CBP kan iedereen sites vragen zijn persoonsgegevens te verwijderen. Maar dat geldt niet voor journalistieke sites. De wet bescherming persoongegevens is dan maar gedeeltelijk van toepassing, schrijft het CBP op www.mijnprivacy.nl. Als gegevens uitsluitend voor journalistieke doeleinden worden gebruikt, geldt een milder regiem waardoor een balans ontstaat tussen het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Er moet, zegt de wet, sprake zijn van een maatschappelijk belang, en van journalistiek. Beide zijn natuurlijk lastig. Je kunt je voorstellen dat iemand jaren geleden meewerkte aan een publicatie, waarmee op zichzelf geen groot maatschappelijk belang was gemoeid. Als die persoon nu vraagt om verwijdering van zijn naam uit dat artikel, staat zijn recht op privacy haaks op het maatschappelijk belang van integere archieven. De Raad voor de Journalistiek heeft onlangs geoordeeld dat het publieke belang voor het particuliere belang moest gaan (na mijn advies).

Het andere element in de gedachtegang van het CBP is dat sprake moet zijn van een journalistieke uiting, als een site onder het mildere regiem van de wet bescherming persoonsgegevens wil vallen. Maar wat is journalistiek? De voorwaarden die het CBP eraan verbindt, vind ik op een paar punten dubieus en slordig geformuleerd, althans op mijnprivacy.nl.

Objectief met recht van repliek

Een site heeft het recht op de journalistieke uitzonderingspositie als ze objectief is. Dat is een eis waaraan vrijwel geen enkel medium altijd aan voldoet; men streeft hooguit naar objectiviteit in nieuwsberichtgeving, en naar stevige meningen in al die debatkaternen en open fora waarmee kranten tegenwoordig de oorlog moeten winnen.

Als het om een interactieve site gaat, dient gekeken te worden naar de aard van de reacties, schrijft het CBP, zonder te zeggen wat daarmee wordt bedoeld. Feiten, meningen en beweringen moeten uit elkaar te halen zijn – daar kan ik me iets bij voorstellen – maar ook wordt meegewogen of er al dan niet sprake is van moderatie van reacties. Of die moderatie een reden is voor het mildere privacyregiem, of juist niet, blijft in het midden – terwijl echt voor beide iets te zeggen valt.

Er moet, gaat het CBP verder, sprake zijn van een maatschappelijk belang. Een beroemde industrietycoon moet zich meer inbreuk op zijn privacy laten welgevallen dan de buurvrouw van hiernaast. Dat principe vindt je ook terug bij de beginselen van de Raad voor de Journalistiek en de Code voor de Journalistiek zoals die dezer dagen in concept wordt gepubliceerd.

Maar hoe ver gaat dat? Kan iemand die bewust meewerkt aan een journalistieke publicatie, en daarmee er zelf voor kiest al is het maar voor even een bekende Nederlander te worden, een dag later zijn naam laten verwijderen van de website van een krant?

Nog problematischer vind ik de vierde en laatste voorwaarde van het CBP:

De publicatie dient een recht op repliek te kennen. Dit houdt in dat u een recht van antwoord of rectificatie achteraf heeft van onjuiste, onvolledige of overbodige informatie. Als u niet de mogelijkheid heeft om achteraf, na publicatie op internet, commentaar te leveren op uw persoonsgegevens die duidelijk onjuist zijn, kan niet worden aangenomen dat de publicatie een uitsluitend journalistiek doel dient.

Wie meewerkt aan een artikel in de media, heeft dus het recht zelf te bepalen of zijn persoonsgegevens onjuist, onvolledig of overbodig zijn. Als je dat niet kunt rechtzetten in de rectificatierubriek, verspeelt het medium zijn recht uberhaupt je naam te noemen, omdat het dan naar het oordeel van het CBP geen journalistiek doel dient. Iets zegt me dat de criteria “onvolledig” en “overbodig” nog tot veel gelazer zullen leiden.

In een verslag van een recente studiemiddag las ik nog dit:

(…) het recht op repliek [was] slechts één van de aanwijzingen om te bepalen of iemand onder die uitzondering voor journalisme zou vallen. Een site zonder deze mogelijkheid zou zich gewoon aan de volledige set regels van de WBP moeten houden, en niet het lichtere regime voor journalisten. In hoeverre de WBP zich daarin verhoudt met de vrije nieuwsgaring (art. 10 EVRM) is iets dat zich door jurisprudentie moet ontwikkelen, maar je moet ergens beginnen [aldus het CBP]

Reacties zijn gesloten.