Wie is journalist en wat is journalistiek?

De nieuwe Code voor de Journalistiek en het tot in de Tweede Kamer besproken verschoningsrecht hebben alles en tegelijk niets met elkaar te maken. Het een kan zonder het ander, je kunt een code hebben zonder verschoningsrecht en omgekeerd, maar vroeg of laat wordt een debat over het eerste verstoord door een discussie over het tweede. En valt over de discussie de schaduw van die ene vraag: wie is eigenlijk journalist?

Iemand met een perskaart, opperde van de week het VVD-Kamerlid Teeven. Hem was op radio 1 gevraagd hoe je dat nou moest regelen, een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten. Toen hij er ook nog aan toevoegde dat je bijvoorbeeld ook lid moest zijn van de NVJ om je journalist te mogen noemen, werd meteen duidelijk waar deze discussie zal stranden: in een niet op te lossen puzzel.

Het recht om anonieme bronnen te beschermen moet volgens mij en vele anderen niet in de wet worden geregeld. Het verschoningsrecht is al erkend door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en ligt vast in Nederlandse jurisprudentie. Beter dan dat kan niet, althans niet zonder het vak van journalist dicht te timmeren met de een of andere vorm van ballotage.

Advocaten en artsen hebben een beschermd beroep, en een tuchtcollege dat op hen toeziet. In die beroepen werkt dat. Maar de journalistiek heeft een bijzondere positie door artikel 1 7 van de grondwet. Daarin ligt de vrijheid van meningsuiting vast en die gaat voor. Elke wettelijke regeling die bepaalt wie journalist is – en wie dus niet! – is strijdig met het beginsel van persvrijheid.

Wie zit er te wachten op een code?

Wat mij opvalt in de eerste reacties op de nieuwe journalistieke code, is de argwaan uit de hoek van nieuwe-media-specialisten. We zitten niet op zo’n code te wachten, zeggen sommigen. Hij is niet nodig. We kenden de oude niet, en kunnen ook wel zonder de nieuwe. Door die afwijzing klinkt iets anders: jullie oude journalisten – de code komt immers uit de kring van het Genootschap van Hoofdredacteuren – hoeven ons niet te vertellen hoe we journalist moeten zijn.

Ik vermoed dat de nieuwe generatie journalisten vermoeden dat we Code bedoeld is om hen buiten te sluiten, om het vak te beschermen tegen de invloed en opmars van nieuwe media en nieuwe, niet traditionele journalisten, onder wie uiteraard een hele horde bloggers. Dat is curieus. Want het tegendeel is het geval: de code wil juist het vak van de journalistiek openen voor niet-professionele journalisten, voor diezelfde horde.

Dat doen we niet uit naiviteit of idealisme, maar uit weloverwogen eigenbelang. De journalistiek heeft de vernieuwing door een generatie nieuwe journalisten broodnodig. Willen we begrepen worden door de generaties die opgroeiden met nieuwe media, willen we die moderne consumenten begrijpen, willen we door hen serieus genomen worden, dan zullen we de representanten van die generatie moeten insluiten, niet uitsluiten.

Maar heb je daar een code voor nodig? We weten toch ook zo wel wat een journalist is? Was het maar waar. Juist in tijden van internet en nieuwe media, juist nu postmoderne media zulke oude zekerheden als “de waarheid”, “feiten”, “fictie”, “commentaar” en “beweringen” ondergraven, juist nu is het nodig zo precies mogelijk te formuleren wat een journalist moet doen. Dat is nodig om elkaar en onze lezers ons vak uit te leggen.

De code sluit niet uit, maar in. Het is een omschrijving, een definitie, geen programma van eisen. Je kunt heel goed journalist zijn en toch met bezwaar maken tegen delen van de code. Je kunt journalist zijn, en de code overtreden – al ligt het voor de hand dat er bij grove fouten een zaak volgt voor de Raad voor de Journalistiek. Je kunt journalist zijn, en maling hebben aan de code – al heb je dan wel iets uit te leggen aan je publiek, misschien.

Dat publiek bepaalt uiteindelijk wel wie journalist en wie niet. Door met zijn voeten te stemmen, door de stukken te lezen die we schrijven, door de kranten te kopen die we maken, door te kijken en te luisteren naar onze programma’s – of ons te negeren. Ik kan me daar wel een reputatiesysteem bij voorstellen (fijne internetoplossing), maar vermoed dat we ook nog wel even zonder kunnen.

Update: zie ook NRC Handelsblad