Publiek moet media weer kunnen vertrouwen

De gewezen GeenStijl-scribent Bert Brussen, nog altijd bekender onder zijn nick “Lucasdelinkselul”, vreest dat de journalistieke code zoals die door het Genootschap van Hoofdredacteuren in concept is gepubliceerd, “beknellend en betuttelend” zal werken. Een code, zei Brussen vorige week vrijdag op een symposium in Amsterdam, geeft “nog meer macht in handen van snorren en brillen boven de vijftig om met hun opgeheven vingertje te wapperen”. De gevestigde orde in de media, bedoelt-ie, zal zo’n code misbruiken om op het pluche te kunnen blijven zitten.

Een code, formuleert blogger Jaap Stronks de aversie onder “nieuwe” journalisten, is te star voor de moderne pluriforme mediamaatschappij; de traditionele journalistiek “is al te divers om gebonden te kunnen worden aan één setje wetten & regels”, laat staan dat je er iets mee bereikt bij individualistische bloggers. Die vinden een code “stom“. Stronks: “Een code is hoe dan ook een poging de bestaande scheidslijnen van een professionele beroepsgroep met een dikke viltstift nog net even wat vetter over te trekken.”

Kennelijk werkt het zo. Veel van het verzet tegen de nieuwe Code voor de Journalistiek komt voort uit je reinste weerzin tegen een code überhaupt, tegen elke code. De term “code” suggereert klaarblijkelijk dat regels universeel geldig zijn en dat overtreding automatisch gevolgen heeft. Alsof er een tuchtcollege bestaat dat journalisten uit hun vak kan zetten, zoals rooms-katholieken ooit afvalligen excommuniceerden en foute artsen nog steeds uit hun beroep worden gezet.

De weerzin van Brussen en Stronks, die beide meer sympathie lijken te koesteren voor bloggers dan voor klassieke journalisten, is onder die traditionele journalisten nauwelijks minder sterk, bleek vorige week in Amsterdam tijdens een debatje van de NVJ-sectie internet. Ook internetjournalisten, dagbladverslaggevers of omroepmedewerkers moeten weinig hebben van een “code”.

Leidraad

Toen april vorig jaar de Leidraad van de Raad van de Journalistiek werd gepubliceerd, een samenvatting van de standpunten die dat college inneemt bij klachten over journalistieke media, bleek uit onderzoek al dat journalisten het an sich prima vinden dat hun vak ethische regels kent, zolang die maar geen code heten. Vandaar dat de Raad behendig koos voor de enigszins eufemistische term “Leidraad”.

Journalisten vinden ethiek in de eerste en Рmeestal Рlaatste plaats een persoonlijke verantwoordelijkheid. Elke suggestie van een ged̩̩lde ethiek wordt gevoeld als een neiging tot afbakening van een groep. De beroepsgroep van professionele journalisten ziet dat als een bedreiging, omdat je maar nooit weet welke regels de overheid gaat stellen; liever blijven ze onafhankelijk, ongebonden en ongrijpbaar.

“Nieuwe journalisten” zien die afbakening, zie het betoog van bloggers Stronks en Brussen, als een verkrampte poging van de oude journalistiek zichzelf te beschermen tegen nieuwe concurrenten. Dondersgoed weten bloggers dat ze een bedreiging vormen voor de gevestigde media: teruglopende oplages en dalende kijk- en luistercijfers spreken boekdelen. Als oude media reageren, als het Genootschap van Hoofdredacteuren een conceptcode publiceert waarin nadrukkelijk rekening wordt gehouden met “nieuwe journalisten”, wordt zo’n handreiking om te beginnen gewantrouwd: de bedoelingen kunnen niet deugen.

Dat het Genootschap ondanks die aversie bij “oude” en “nieuwe” journalisten toch over een code praat, komt omdat er al een code bestaat. Dat document uit 1995 heet nu eenmaal “code”. Het is geschreven omdat destijds de vrees bestond dat Europese regelgevers zich met de media zouden gaan bemoeien als die niet wat meer aan zelfregulering gingen doen. In die zin was het ontstaan van de code vergelijkbaar met de geboorte van de Raad voor de Journalistiek, ook een vorm van zelfregulering waarmee voorkomen moest worden dat de overheid – toen de nationale overheid – de pers ging breidelen.

Nu er al een code van het Genootschap bestaat, en iedereen kan zien dat die volslagen verouderd is, kunnen we drie dingen doen. Wij – journalisten, bloggers, hoofdredacteuren – kunnen het stuk moderniseren, in de prullenbak gooien of zoveel mogelijk blijven verzwijgen. Mij stuit dat laatste tegen de borst. Juist in tijden van internet moeten journalisten open en transparant zijn. Je moet verantwoording afleggen, en dat doe je niet stiekem, half, of een beetje.

Verantwoording

Blijven de eerste twee opties over. En dan geloof ik dat het Genootschap van Hoofdredacteuren, ook al is het in de ogen van de internetgeneratie een tikje archaïsch gezelschap, een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. Wie hecht aan de vrijheid van meningsuiting (artikel 7 van de Grondwet), moet ook vinden dat er iets van reflectie moet zijn, verantwoording, accountability.

Ik kies daarom voor modernisering van de code. Niet omdat ik de illusie heb dat de hele beroepsgroep zich die tekst integraal omhelst, laat staan dat “nieuwe journalisten” dat doen. Wel omdat ik hoop dat het Genootschap zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus blijft nemen. En dat doe je niet met een code die onbruikbaar is geworden – onuitlegbaar aan nieuwe generaties journalisten en consumenten – omdat het woord internet er niet in voor komt.

Je kunt niet meer nadenken over media-ethiek zonder stil te staan bij de gevolgen van nieuwe media. Je moet je realiseren dat hyperlinks ook een soort bronvermeldingen zijn. Je ontkomt er niet aan dat de dynamiek van het net gevolgen heeft voor de privacy van verdachten, slachtoffers en veroordeelden (hoeveel zin heeft een initiaal als iedereen al weet hoe Mohammed B. heet?). Je moet accepteren dat er nieuwe genres ontstaan met nieuwe grenzen: hoe “waar” is een gedramatiseerde en digitaal gereconstrueerde documentaire of een verhelderende knip-en-plak-fotomontage?

Met modernisering van de code wil het Genootschap, zoveel mag toch duidelijk zijn, geen hek plaatsen rond de professionele journalistiek. Er is geen sprake van universele regels, de code is geen keurslijf of dwangbuis, er komt geen tuchtcollege of beroepsverbod. Integendeel, de code is juist bedoeld – net als in 1995, net als in de jaren veertig – om te voorkomen dat de overheid de journalistiek aan regels gaat binden. Die akelige neiging bestaat in Den Haag wel degelijk opnieuw: lees er Medialogica maar op na, het rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling uit 2003.

Vertrouwen

Maar er is een nog dringender reden voor modernisering. De journalistiek heeft de afgelopen halve eeuw veel aan positie en vertrouwen ingeboet. Sinds de opkomst van televisie, en versneld sinds het ontstaan van commerciële tv in 1989, is amusement gaan concurreren met journalistieke informatie, met nieuws en opinie. We hebben daar hybride genres als infotainment en docusoap aan overgehouden. En een deuk in ons journalistieke imago: we kregen het verwijt te populariseren omwille van de kijkcijfers.

Sinds de internetrevolutie wordt de journalistiek nog verder teruggedrongen. We verliezen nog meer publiek, omdat dat publiek het zelf wel uitzoekt. Wij, journalisten, vinden dat zorgwekkend, maar voorheen-ons-publiek zal het een rotzorg zijn. Ze zijn zelfkazende bloggers geworden die in het ergste geval louter naar LastFM luisteren, hun Hyveskrabbels lezen en naar YouTube kijken.

Het vertrouwen in de journalistiek heeft de afgelopen tien jaar opnieuw een deuk opgelopen. Nu van burgers die de media de schuld geven van hun onbehagen, van de WAO-crisis, het straatgeweld en de allochtonenproblematiek (“de media heeft het gedaan”). Om dat vertrouwen te herstellen, om die burgers terug te winnen voor de journalistiek, om een nieuwe, jeugdige generatie uit te leggen wat het belang van journalistiek is voor een goed functionerende democratie, moeten journalisten zich verantwoorden.

Niet om ons Europa of Den Haag van het lijf te houden, maar om te voorkomen dat we gereguleerd worden door degenen die het in tijden van internet voor het zeggen hebben: onze lezers. Die reguleren met hun voeten.

Creative Commons

Stephan Okhuijzen, bekend als “Steeph” van het blog Sargasso, heeft in een reactie op de code een zinvol voorstel gedaan, dat terecht door anderen – onder wie Jaap Stronks – is opgepikt. “Steeph” kan met een deel van de code leven, maar met een ander deel minder. Hij suggereert daarom een “creative commons”-achtige aanpak, een code op maat.
Creative commons is een initiatief van de Amerikaanse hoogleraar rechten Lawrence Lessig, dat bedoeld is als alternatief voor het gewone copyright of auteursrecht. Lessig stelt met steeds meer succes een cc-licentie in de plaats van of naast de wet: als auteursrechthebbende bepaal je met zo’n licentie dat je niet alle rechten houdt, maar een deel vrijgeeft, en onder welke voorwaarden. Je zegt bijvoorbeeld dat je werk overgenomen mag worden, maar alleen voor niet-commerciële doeleinden en alleen als je naam erbij wordt vermeld.

Die cc-licenties bestaan in soorten en maten, meer en minder restrictief. Ze geven bloggers en anderen op internet meer vrijheid. Bovendien kunnen ze rekenen op meer draagvlak dan het verouderde copyright, omdat ze flexibel zijn, minder rigide, en omdat het laatste woord aan de gebruiker is. Je zou het kunnen combineren, suggereert Steeph, met reputatiesystemen zoals die op internet al langer in gebruik zijn:

“… een begrip als ‘betrouwbaarheid’ is op internet vaak niet gestoeld op imago, maar wordt gebaseerd op gemonitorde handelingen in het verleden en de beoordelingen van derden (denk aan het feedbacksysteem van eBay). Als mijn vrienden een blogger hebben aangemerkt als onbetrouwbare leugenaar (hetgeen uiteraard automatisch op mijn scherm verschijnt zodra ik diens pagina bezoek), maar de blogger in kwestie zegt op zijn site de nieuwste journalistieke code te onderschrijven, geloof ik mijn vrienden en heb ik tegen die tijd allang geleerd die code te negeren.”

Niets in de conceptcode van het Genootschap staat een “cc-code” (CCC dus) in de weg. Traditionele media hebben al hun eigen huisregels. NRC en Volkskrant en NOVA hanteren hun eigen in-huis-mediacode, gebaseerd op ethische normen die journalisten al vanzelfsprekend vonden lang voordat ze werden geformuleerd in de internationaal door journalistenbonden gesteunde Code van Bordeaux (1954). Die in-huis-codes zijn trouwens wel “beperkend”: wie ze te vaak overtreedt, raakt zijn betrekking bij NRC, Volkskrant of NOVA kwijt.

Een medium hoeft niet te kiezen tussen zijn eigen huisregels en de code van het Genootschap. Een blogger of groepsblog hoeft dat evenmin. Een keuze is niet nodig. De code van het Genootschap zegt hoe dat Genootschap over ethiek denkt (als het bedaagde gezelschap het daar al over eens wordt). Niet meer en niet minder. Daarmee ligt de weg open voor een discussie waaraan iedereen, journalist of niet, mag meedoen.

Als dat ertoe leidt dat media en journalisten meer nadenken over de normen waaraan ze zich willen houden, als ze meer en beter verantwoording afleggen aan hun publiek, bijvoorbeeld in de vorm van een cc-code, en als dat publiek weer wat meer vertrouwen krijgt in de journalistiek, heeft de code zijn doel bereikt.

[Dit stuk verscheen vandaag, in iets bekorte vorm, in de Volkskrant]

Reacties zijn gesloten.