De leugens van de gratis economie

Als je er niet voor hoeft te betalen, heeft het ook geen waarde. Het is een veelgehoorde verzuchting onder journalisten die zien dat jongeren wel honderden euro’s neertellen voor hun mobiele telefoon, maar dat bedrag niet uitgeven aan een krant. Een gratis krant maken voor die jongeren, werkt averechts, denken de meesten. Je bevestigt ze in het idee dat het nieuws waardeloos is.

Een hardnekkige leugen, zegt Chris Anderson, auteur van The long tail en hoofdredacteur van het Amerikaanse Wired. De denkfout die gemaakt wordt is dat waarde alleen in geld wordt uitgedrukt. Maar de digitale economie van internet draait om twee principes die niet van zich zelf in geld worden uitgedrukt. Het net gaat niet over verkopen, maar over aandacht en over reputaties.

Aandacht is meetbaar als bezoekers (“traffic“). Reputaties zijn de optelsom van verwijzingen, ofwel links. Google – gratis! – is groot geworden door heel slim om te gaan met die verwijzingen: met behulp van handige algoritmes en gigantische computerparken heeft Google uit alle beschikbare links ‘s werelds beste zoekmachine gebouwd. Het bezoek dat daarop afkomt, wordt bestookt met even handig op maat gepresenteerde advertenties. En die leveren geld op.

Anderson geeft toe dat het advertentiemodel, dat al zo oud is als de media zelf, nog steeds heel belangrijk is als businessmodel voor nieuwe media. Maar er zijn meer mogelijkheden om met gratis of bijna gratis content geld te verdienen. Hij noemt er een aantal, waaronder CPT (cost per transaction: een adverteerder betaalt alleen als hij iets verkoopt), het licenseren van je merk of je content, en ‘API fees’, waarbij een derde betaalt voor het recht jouw content te benaderen via een softwaresleutel.

Wat niet gekopieerd kan worden, heeft waarde

Je kunt het ook op een wat fundamenteler niveau benaderen, zoals Kevin Kelly dat probeert te doen in zijn grote project The Technium. Zijn stelling is niettemin simpel. Als kopieen overvloedig aanwezig zijn, worden die kopieen waardeloos, dat wil zeggen: gratis. En als die gratis kopieen overvloedig aanwezig zijn, wordt datgene wat niet gekopieerd kan worden schaars en dus waardevol.

Op zoek naar een businessmodel? Ga dingen verkopen die niet kunnen worden gekopieerd. Vertrouwen bijvoorbeeld. Dat kun je niet kopen, je kunt het niet downloaden of namaken. Vertrouwen moet je verdienen, onderhouden, verzorgen.
En het speelt wel degelijk een rol in de gebruikelijke economie, net als zeven andere generatives, de term die Kelly gebruikt voor “waarden” die niet kopieerbaar zijn. Ze voegen waarde toe aan wat gratis is in een digitale economie.

Wat wil je van iets dat al gratis is? Je wilt het nu, je bent dus bereid te betalen voor de sensatie van immediacy. Je betaalt voor personalisatie. Voor wat Kelly interpretatie noemt; en ik, in krantentermen, inzicht. Verder betaal je voor authenciteit en toegankelijkheid, en voor de verpakking (omdat die soms handig is als je een stuk muziek mee wilt nemen). Verder gelooft Kelly dat we tot op zekere hoogte auteurs willen betalen, uit respect of waardering of bewondering. En tenslotte natuurlijk voor vindbaarheid, de essentie van een long tail-economie.

Reacties zijn gesloten.