Waarom de ironie verloren raakt

Internet is geen plek voor ironie. Het net is een zwaarlijvig medium, dat zich slecht verhoudt met lichtvoetigheid. Humor werkt alleen als het vette humor is, kantoortuinhumor, slapstick van het soort waarmee de-leukste-thuis wordt gemaakt. Voor de subtiliteit die ironie nodig heeft, is het net te grofstoffelijk, te haastig, te boers en te lichtgeraakt.

Het is een van de vele dwarse paradoxen van de digitale cultuur. Hoewel we steeds meer videobeelden en foto’s over het net sturen, bestaat die internetcultuur toch nog vooral uit tekst. Het is een geschreven cultuur, geen beeld- of verbale cultuur. Na twaalf of dertien jaar van ontwikkeling, valt op hoe onontwikkeld die cultuur nog is.

De manier waarop we met elkaar praten op internet, is ongeveer even geavanceerd als de tekeningen van grotbewoners waren: voor nuance bestaat amper ruimte. We nemen elkaar voortdurend dodelijk serieus, en als we een grap maken is dat bijna altijd een overdrijving van het dik-hout-en-planken-type.

Nieuw is dat fenomeen natuurlijk niet. We weten al langer dat de combinatie van tekst en onmiddellijkheid tot ongelukken kan leiden. Niet voor niets is het in menig bedrijf platweg verboden je per mail af te reageren op een collega die iets misdaan heeft. Boos worden gaat veel beter als je dat recht in iemands gezicht doet, omdat je dan ook van twee kanten de kans hebt met een grimas of grapje de verwijten af te zwakken. Overigens: complimenten per mail werken weer prima.

Ironie is een langzaam stijlmiddel, denk ik. Het vergt rijp beraad, je moet er even over nadenken. En misschien vereist het ook oefening en scholing; het is geen zinvol wapen in handen van amateurs die denken dat ze er met een simpele smiley – 😉 – al zijn.

Internet is een veel te opgewonden medium: het overal meteen op kunnen reageren is de norm geworden. Dat heeft veel goeds teweeg gebracht: collaboratieve sites als Wikipedia bijvoorbeeld. Maar ironie is het slachtoffer geworden.

Reacties zijn gesloten.