Dode dichters

21 maart 2008 Geen categorie 1

Binnen anderhalve week overlijden drie van mijn favoriete dichters. Eerst Jan Eijkelboom, toen de grote Hugo Claus, en vandaag Ed Leeflang. Ik heb de eerste tamelijk goed gekend, de tweede slechts stamelend van schuchterheid gefeliciteerd met zijn bundel De Sporen, en de laatste altijd vriendelijk gegroet, of het nou tijdens de jaarlijkse Nacht van de Poezie was, of op straat in Amsterdam, of in de journalistenkroeg Hesp.

Eijkelboom, Claus en Leeflang zijn de dichters van mijn late jeugd. De eerste was een collega bij Het Vrije Volk. Eijkelboom was er buitenlandredacteur, een slanke, wat getekende man van wie ik niets wist. Toen hij de krant verliet om dichter te worden, leerde ik hem beter kennen. Hij was in alle opzichten een generatiegenoot van Leeflang, die vrijwel tegelijkertijd, en ook bij De Arbeiderspers, debuteerde, net als Eijkelboom inmiddels de vijftig gepasseerd.

Eijkelboom en Leeflang schreven ook verwante poezie. Verstaanbaar, beeldschoon van taal, aangrijpend. Eijkelbooms gedichten over de drank en zijn streng gelovige milieu, Leeflangs gedichten over een gehandicapt kind (“Lang heb ik niet over je durven schrijven”).

Hugo Claus was drie maten groter. De grootste dichter van de afgelopen eeuw, tenminste in het Nederlands taalgebied, maar ongetwijfeld ook nog wel een stukje daarbuiten. Een keer of vier heb ik hem horen voorlezen, tijdens de derde en laatste nacht van de poezie, in het Vorst Nationaal in Brussel, en veel later tijdens de nachten die in Utrecht volgden op de oorspronkelijke Belgische poezienachten. En in Rotterdam, op Poetry.

Nooit meer vergeten: de Oostakkerse gedichten, het vers in De Sporen voor zijn broer (dat hij in Rotterdam voorlas), en vooral de overrompelend opwindende, exuberante kwatrijnencyclus Nu nog.

Reacties zijn gesloten.