Niet de Macht van het Medium maar de Kracht van het Verhaal

Foto: Frank JansenKaatje Heksenvet heeft drie kinderen, van wie er een autistisch is. De andere twee hebben astma. Als bij haar man tongkanker wordt ontdekt, vertelt ze op het forum over de schok onder een ander pseudoniem, “Visje”. Toch ontdekken de forumleden dat het Kaatje is, dezelfde Kaatje die altijd in de weer was om anderen te helpen.

Als haar man, die net als zij zelf musicus is, niet meer kan werken, schieten de anderen te hulp. Ze zamelen alles in wat het gezin Heksenvet nodig heeft. Schoenen voor de kinderen, tandpasta, biologische groenten. Een weekje naar zee. Het “legioen” van helpers groeit aan tot 250 mensen.

DE MASSA EN DE INFOCLAN
Halverwege het ene boek – PopUp – en het andere – Massa! – vat ik samen hoe ik tegen digitale cultuur en media aankijk. Het net is geen massamedium, maar een universum van vluchtige, zichzelf bedruipende microgemeenschappen die ik “infoclans” noem.

De “anderen” – dat zijn de forumleden van Ouders Online. Op de site schrijft hoofdredacteur Justine Pardoen over Kaatje. De Volkskrant pikt het verhaal ook op en laat een van de helpers zeggen: “Internet is helemaal niet zo anoniem. Je leert elkaar kennen op zo’n forum. Kaatje hielp anderen altijd, dan doe je wat terug.”

Zo is het. Wie dacht dat het net uitsluitend bestond uit naamloze massa’s, uit reaguurders zonder gezicht, vergist zich. Dat is alleen waar als je internet bekijkt als journalist op zoek naar een trouw publiek – dat niet trouw is – of als wetenschapper met te weinig tijd voor onderzoek en een te haastige publicatiedrift.

Er zijn miljoenen bloggers in de wereld. Bij elkaar opgeteld brengen die een ongehoorde kakofonie voort, klaagt de Britse internetcriticus Andrew Keen (dinsdag in Amsterdam voor de Globaliseringslezing). Ik geloof meteen dat de gemiddelde blogger een vijftienjarig meisje is dat blogt voor haar vijf vrienden, zoals uit onderzoek blijkt.

Maar voor wie is dat gemiddelde interessant? Voor producenten van massamedia – journalisten, Andrew Keen – en statistiekenfetisjisten; niet voor een vijftienjarig meisje in Amsterdam, niet voor Kaatje Heksenvet.

DE INFOCLAN ROND KAATJE

Het legioen van helpers bij Ouders Online is een voorbeeld van wat ik een infoclan noem. Een groep mensen die één doel heeft: Kaatje bijstaan. Er is niets wat hen verder samenbindt. De mensen kennen elkaar waarschijnlijk alleen van de site, en niet in real life. De groep bestaat voor zolang als nodig is, en gaat dan weer op in andere groepen, in andere clans.

De dozen met eten en spullen voor Kaatje Heksenvet zijn een postmoderne voortzetting van wat we ooit “burenhulp” noemden. Alleen wonen de buren niet naast Kaatje. Het doet sterk denken aan wat er vroeger in kleine dorpen gebeurde. Het doet denken aan de wereld van vóór de late negentiende eeuw, aan de wereld zonder massa.

We denken dat internet een anoniem, oppervlakkig medium is omdat we gewend zijn geraakt aan massamedia. Maar die massamedia bestaan nog maar krap anderhalve eeuw. Ze zijn het product van de industriële revolutie, die massaproductie (de lopende band) en massaconsumptie (winkelcentra) voortbracht, en de mensen via massatransport (treinen) liet samenwonen en –werken in steeds massalere steden.

Massamedia deden het goed tot in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. Daarna begonnen ze te fragmenteren. Naar mate informatie makkelijker kon worden verspreid, en er dus meer informatie beschikbaar kwam, nam de macht van de massamedia af: steeds minder vaak keken we met zijn allen op hetzelfde moment naar dezelfde boodschap.

Internet is de finale splijtzwam voor de klassieke massamedia. Sinds pakweg 1995 is alle informatie altijd en overal beschikbaar. Wat eerst schaars was, is nu zo overvloedig aanwezig dat kranten, televisiestations, tijdschriften en nog andere media gedwongen zijn over hun eigen houdbaarheid na te denken. Het kan nog jaren duren, maar onherroepelijk kwijnt hun massamediamodel weg.

EEN ELITAIRE POPULIST

Andrew Keen (blog) gruwt van die teloorgang. In The cult of the amateur hekelt hij het net. Onze cultuur, schrijft Keen in het boek dat hem plotseling wereldberoemd maakte, gaat er aan ten onder. Als iedereen mag meeouwehoeren en niemand nog luistert naar verstandige mensen, als de narcistische massa mag bepalen wat goed is en van waarde, gaat de beschaving naar de kelder.

Keen is a-typisch. Hij kiest voor de experts en de intelligentsia maar bespeelt die culturele bovenlaag als een populist. Dat is raar, omdat populisten normaliter niets moeten hebben van autoriteiten. Maar dankzij Keen zien we dat oude definities aan het schuiven gaan: de elite is dankzij internet – wat inderdaad een tikje ironisch is – grenzeloos geworden, en neemt trekken aan van een “beweging” op zoek naar een “charismatische verlosser”. De autoriteit die wordt gewantrouwd, is de autoriteit van de massa op internet. Die omkering van perspectieven maakt Keen tot een elitaire populist.

Je herkent de populist aan zijn gebrekkige oplossingen – of het gebrek aan oplossingen überhaupt. Keen hekelt de Grote Beloften van internet, dat webdemocratie zou brengen en waar “the wisdom of crowds” voor een hogere waarheid zou zorgen. Hij wantrouwt Google en verfoeit de gratistrend. Maar het meest van alles verafschuwt Keen de anonimiteit van internet.

Sommige dingen ziet Keen goed. Van die webdemocratie is niet bijster veel terecht gekomen. Google is waarschijnlijk een monopolistische informatieveelvraat die behalve onweerstaanbaar handig in het gebruik wel degelijk evil kan zijn. En ja, dat alles gratis wordt, is lastig voor massamedia die nog niets beters hebben bedacht.

PARADOXEN VAN DE DIGITALE CULTUUR

Maar Keen kijkt naar internet als een twintigste-eeuwer. En het helpt als je naar de digitale cultuur kijkt met de bril van de 21ste eeuw, of – voor Keen waarschijnlijk wat eenvoudiger – de 18e eeuw. De paradoxen worden dan ineens wat minder troebel. Eerst even een paar van die dwarse tegenstellingen.

Eén. Het is raar dat we dankzij internet alles kunnen weten, alle informatie in de wereld onder onze vingertoppen hebben, maar ons toch beperken tot een klein aantal bronnen, tot telkens dezelfde gebookmarkte sites. We draaien rond in een kringetje. We surfen niet meer. We hebben internet uit, zei de oprichter van jongerensite Sugababes eens.

Twee. Met dat grote internetdebat is het niet anders. Keen stelt terecht vast dat we met iedereen over alles van mening kunnen verschillen op internet, maar in de praktijk rondhangen in fora van gelijkgestemden. We worden liever gekieteld en bevestigd dan geprikkeld en getart.

Drie. Op internet kunnen we zeggen wat we willen. We kunnen uniek zijn, en zelfs meervoudig uniek door talloze nicks aan te nemen. Maar op originaliteit en uniciteit staan niet zulke hoge prijzen. Liever knippen en plakken we onszelf bij elkaar. In het beste geval noemen we de remix van vondsten een mashup.

Vier. Iedereen zit op internet (nou ja: bijna). Maar niet iedereen zit bij elkaar. Wie denkt de hele wereld te bereiken omdat die hele wereld connected is, vergist zich. De massagemeenschap op het net bestaat niet. Gemeenschappen worden niet massaal. Ze worden de massa. Community doesn’t scale. Gemeenschappen blijven klein.

Vijf. De grootste paradox is die van de anonimiteit. Ja, we leven onder pseudoniemen op het net, we verbergen ons achter screennames en avatars. Maar tegelijkertijd storten we ons hele hebben en houwen uit op onze hyve. Zetten we foto’s van ons particuliere leven op Flickr. Plaatsen we filmpjes op YouTube.

We copuleren online. Bevallen op het net. We gaan dood voor een webcam. Niets is te privé. We pesten onze klasgenoten en filmen dat onverbiddelijk, ook als er gewonden bij vallen. We moorden online en biechten het ook weer op. Niets is nog intiem. We zijn de pornografen van ons dagelijks leven geworden.

Keen begrijpt dat. Want in de pre-industriële samenleving deden we dat ook. Woonden we in kleine gemeenschappen bij elkaar. Werkten we thuis (zoals programmeurs nu steeds vaker doen). Richten we een schandpaal op voor wie kwaad deed. Poepten we op straat. Vreeën we in de kroeg. En hielpen we elkaar als het nodig was.

INTERNET IS GEEN MASSAMEDIUM

Niet dat het allemaal beter was in de 18e eeuw, of beter wordt in de 21ste eeuw. Ik verheerlijk helemaal niks, de clans van vroeger evenmin als die van vandaag. Ontegenzeggelijk zijn we in de tussentijd beschaafder geworden (al moet je dan niet te zwaar tillen aan de zwartste jaren van de 20ste eeuwse massamens). Maar de analogie laat zien dat internet geen massamedium is, maar een universum van micromedia, van virtuele gemeenschapjes die één topic delen (bijvoorbeeld Kaatje), van infoclans dus.

Andrew Keen schetst een wereld die niet deugt, maar biedt geen andere oplossing dan een elitair revisionisme. We moeten weer respect voor elkaar en voor autoriteiten opbrengen. We moeten weer laten zien hoe we heten, wie we zijn. We moeten betalen voor wat de moeite waard is. De experts van web 3.0 moeten het roer weer overnemen van de web 2.0-amateurs.

Geen idee heeft Keen hoe dat allemaal moet gebeuren. Hij vertrouwt erop, blijkt uit een interview met de Volkskrant, dat de markt zijn werk doet. Dat er vanzelf vraag zal ontstaan naar experts. Daarmee onderschat hij de kracht van het netwerk waartegen hij even eerder zo fulmineerde.

Veel verstandiger, uitdagender en creatiever is het wanneer we een poging doen de digitale cultuur met al zijn paradoxen wel te begrijpen. Dat begint met de erkenning dat de experts concurrentie hebben gekregen, dat de elite niet langer alleen is. De wetmatigheden van internet laten zich niet ontkennen of intomen: er is informatie in overvloed, en de gebruiker – lezer, luisteraar, kijker – heeft de experts niet langer per se nodig.

Journalisten zijn informatie-experts bij uitstek – net als wetenschappers trouwens. Zij hebben er het meeste last van dat ze de controle kwijt geraakt zijn. Hun wereld ligt in duigen. Ze zijn geen onmisbare poortwachters meer voor jongeren die hun nieuws filteren via hun vriendennetwerk op Hyves of MSN en het checken bij Google – “als het nieuws zo belangrijk is, vindt het mij wel”.

Journalisten moeten leren begrijpen dat massamedia langzaam aan betekenis inboeten als economisch model en vehikel voor hun boodschap. Op het net – en dat is de paradox die ik voortaan de Wet van Heksenvet noem – telt niet het grootste bereik, maar het kleinste, toch nog relevante. Vraag Kaatje maar.

Dat betekent niet dat journalisten overbodig worden. Ook experts verdwijnen niet. Maar post-media-journalisten moeten begrijpen dat ze het niet meer moeten hebben van de macht van hun medium, maar van de kracht van hun verhaal. Ze moeten betere verhalen gaan vertellen – doe onderzoek, licht tegels – en die verhalen beter gaan vertellen.

Reacties zijn gesloten.