Leve het ironische internet

18 mei 2008 Geen categorie 1

Even gedacht dat internet geen plek was voor ironie, of voor een intellectuele elite. Het tegendeel is waar: je herkent de nieuwe elite aan zijn ironie. Het zijn de bloggers die de tijd nemen voor een hoax, het zijn cabaretiers die Wilders’ Fitna op de hak nemen, het zijn reclamebedrijven die begrijpen hoe humor werkt in een virale campagne, en het zijn vooral die duizenden knutselaars die filmfragmenten remixen tot wat op YouTube inmiddels een eigen genre van parodieen is geworden.

Ironie is het tegendeel zeggen van wat je bedoelt, maar zit ook in situaties. Persiflages zijn vaak ironisch, omdat ze spelen met het verschil tussen echt en onecht. Op internet is niets zo makkelijk en ligt niets zo voor de hand als knippen en plakken. Dat verklaart waarom samplen, een mashup of een remix zoveel bekijks trekt in de digitale cultuur. En zelfs in hoger aanzien lijkt te staan dan originaliteit.

Remixen leidt al snel tot ironie. Als dat remixen en spelen met het origineel de norm wordt, een dominante cultuuruiting (probeer ik te zeggen zonder ironisch te klinken), dan wordt ironie een vanzelfsprekende levenshouding. En dat is wat internet nu meer dan wat ook typeert.

9/11

De opleving en herwaardering van de ironie is opvallend. Niet in de laatste plaats omdat de ironie nog maar zeven jaar geleden doodverklaard werd. Een van de weinige positieve kanten van 9/11, schreef een commentator kort na de aanslagen op het WTC in Time, was het einde van de ironie. Al decennia lang nam de Amerikaanse intelligentia niets meer serieus. Niets was echt, alles was betrekkelijk, zeiden ze postmodern. Nu was er ineens weer iets om ernstig te nemen: het Kwaad.

Maar het einde van de ironie duurde niet veel langer dan een week. Nog zie ik de fotomontage van een man op het dak van een van de WTC-torens voor me, terwijl achter hem een Boeing nadert. Angst is nu eenmaal het beste met humor te bestrijden. In de jaren sindsdien heeft ironie als houding en genre, in elk geval in de Nederlandse media, nogal aan populariteit gewonnen. Denk aan het vele cabaret op de Nederlandse televisie en – heel recent, heel ander voorbeeld – de Balkenende-parodie van Opinio.

Op internet is die ironische houding inmiddels een cult geworden. Niet alleen omdat de leukste tv-filmpjes een langgerekt tweede leven leiden op YouTube, maar vooral ook omdat tal van wannabee-grapjassen zelf aan het knutselen slaan, daartoe aangemoedigd door een publiek van talloze bloggers die YouTube-filmpjes in hun eigen sites embedden.

Ik ben niet ik

Ironie is zo oud als de mensheid. Ironie als filosofische houding is moderner: sinds pakweg de achttiende eeuw kijken we ironisch, met afstand dus, naar de wereld om ons heen. Het postmodernisme gaat een stap verder en kijkt ironisch naar alles, het neemt niets – en kunst al helemaal niet – serieus, niets is meer echt. Het was dat postmoderne cultuurrelativisme waartegen de Time-commentator na 9/11 in opstand kwam.

Zou het kunnen zijn dat in een digitale cultuur dat postmodernisme nog eens gekwadrateerd wordt? Op het net nemen we immers ook een loopje met onszelf, verschuilen we ons achter avatars en nicknames en driedubbele identiteiten. Ik ben niet ik.

We nemen alles met een korrel zout, de incomplete en onbetrouwbare waarheid van Wikipedia is goed genoeg. We malen niet om uniciteit en originaliteit, maar knippen en plakken een leven bij elkaar. Kunst is uit – want moet betaald worden. Parodie is in – want mag gratis worden gemaakt en gedownload – ten onrechte denken auteursrechthebbenden er anders over (zie dit essay van Karin Spaink).

Wie – zoals ik – dacht dat internet geen plek is voor ironie, heeft buiten de waard gerekend, buiten YouTube, en goedkope camera’s en flash. Het net heeft moeite met geschreven ironie. Op fora faalt ironie meestal vanwege de kortademigheid, de haastigheid, het ongeduld. Maar beeldmanipulatie in filmpjes of foto’s dwingt tot iets meer bedachtzaamheid.

Reacties zijn gesloten.