De vrijheid om iets terug te zeggen

U

itstekende column van Bas Heijne, vandaag in NRC, over het meest besproken onderwerp van de afgelopen maanden of jaren, de “bedreigde” vrijheid van meningsuiting. Alleen al het feit dat dat grondrecht zo veel en met zo veel voorbeelden wordt bediscussieerd, suggereert dat er niets bedreigd wordt. Eerder, zegt Heijne in een soort metacolumn, gaat het om gevoeligheden.

Dat laatste is een misverstand. Het wordt, denk ik, veroorzaakt door het feit dat steeds meer mensen er niet goed tegen kunnen wanneer hun mening hun niet in dank wordt afgenomen. Wat bedreigd wordt, is niet de vrijheid om iets te zeggen. Wat bedreigd wordt, is de vrijheid om iets terug te zeggen.

Prettig geformuleerd is dat. En uiterst waar, zolang je je maar realiseert dat het meer hout snijdt op macroniveau dan voor individuele meningsuiters. We weten meer dan ooit, krijgen omstreden foto’s en kunstwerken breed uitgeserveerd omdat ze omstreden zijn, we zien bekrompen tekeningen van een recalcitrante cartoonist (Nekschot), we maken elkaar en de minister uit voor alles wat lelijk is, maar klagen toch dat we het niet mogen zeggen.

Dat klagen is flauwekul en pathetische koffieautomatenpraat, behalve als Nekschot van zijn bed wordt gelicht. Voor hem geldt wel degelijk dat er iets wordt bedreigd, is het niet zijn vrijheid van meningsuiting dan wel zijn bedrust.

Op een punt vergist Heijne zich. Dat er niets meer effectief kan worden verboden, komt volgens de columnist door de massamedia en de massacommunicatie. Dat laatste is zeker waar: internet en netwerksamenleving zijn zo efficient voor het verspreiden van informatie dat elk verbod ogenblikkelijk wordt omgezet in zijn tegendeel. Verbiedt een tekening, en je kunt er gif op innemen dat je het omgekeerde bereikt van wat je beoogt.

Maar massamedia hebben juist bewezen uiterst bruikbaar te zijn voor een censor. Dat was al zo toen de radio werd misbruikt in de Tweede Wereldoorlog en was niet anders toen tot ver in de jaren zestig partijgebonden kranten en omroepen bepaalden wat wel en wat niet door de beugel van het fatsoen kon. Massamedia zijn traditioneel op hun best in tijden van informatieschaarste, internet heeft voor informatieovervloed gezorgd, en voor het door Heijne gesignaleerde onmogelijke inperken van de vrije meningsuiting.

Het gaat, zegt Heine, meer om gevoeligheden. Dat klopt. En die gevoeligheden worden politiek vertaald in krampachtige pogingen iets te doen aan die al te vrije meningsuiting. Er moet weer respect getoond worden, heet dat dan in CDA-kringen. Bedreigend is dat niet, hemeltergend en aandoenlijk wel.