De Satire van Scheepmaker en Nekschot

C

olumnist Arnold Scheepmaker mocht in Havana beledigende grappen maken over joden, vindt de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Amsterdam. In een satirische column is meer toegestaan. Scheepmaker discrimineert weliswaar, maar de vrijheid van “artistieke expressie” weegt zwaarder, aldus de rechters die allicht al de paralel zagen aankomen met de zaak Gregorius Nekschot.

Hoewel de vergelijking voor de hand ligt – in beide zaken gaat het om satire die beledigend is voor een bevolkingsgroep – zijn er ook belangrijke verschillen. In het Scheepmaker-vonnis weegt de rechtbank mee dat de column over joden (“Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen”) in een blad stond van de Hogeschool Amsterdam. Dat wordt gelezen, aldus het vonnis, “door onafhankelijk denkende jonge mensen, van wie een kritische instelling mag worden verwacht”.

Die relativering zal bij Nekschot niet worden gemaakt. Diens cartoons verschenen immers op internet. Waar Nekschot het beledigen van moslims met grote regelmaat als onderwerp koos, vergreep Scheepmaker zich maar een enkele keer aan joden. De rechtbank memoreert dat Scheepmaker in de acht jaar dat hij voor Havana schreef nooit eerder negatief over joden had geschreven.

Niet eenduidig

Het vonnis in Amsterdam is ook in andere opzichten minder principieel en eenduidig dan het had kunnen zijn. De politierechter had de zaak Scheepmaker naar de meervoudige “Europese Kamer” verwezen, omdat daar beter de afweging kon worden gemaakt tussen het verbod op discriminatie (artikel 137 Wetboek van Strafrecht) en de vrijheid van meningsuiting.

Dat grondrecht is niet onbeperkt. De vrijheid van meningsuiting ligt vast in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Maar in dat verdrag worden ook grenzen gesteld, die door de rechters van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) verder zijn uitgewerkt. Kort gezegd komt het erop neer dat de meningsuiting alleen kan worden ingeperkt als dat “noodzakelijk is in een democratische samenleving”.

Dat is een zwaar criterium. Er moet echt iets aan de hand zijn, vinden de Europese rechters. Het Amsterdamse vonnis refereert aan jurispudentie waaruit blijkt dat het EHRM veel waarde hecht aan de bijzondere rol van journalisten. Hoewel ook de pers niet zomaar mag beledigen, heeft zij een grote vrijheid om ideeen van openbaar belang uit te dragen. Bij haar rol als public watchdog hoort dat de pers mag overdrijven en provoceren.

Artistiek

Tot hier is de uitspraak van de Amsterdamse rechters helder. Maar het gaat mis als in de slotconclusie wel wordt gesteld dat Scheepmaker de vrijheid van artistieke expressie toekomt – hij mag als columnist meer dan een gewone burger – maar met geen woord meer wordt gesproken over zijn positie als journalist. Daardoor is niet helemaal duidelijk wat het vonnis nou echt bedoelt.

Heeft een columnist meer vrijheid dan een gewone journalist? Is beledigende satire alleen toegestaan in een journalistiek medium? Moet dat een erkend persmedium zijn (zoals de vrijheid van meningsuiting wel vaker een uitzondering maakt voor journalisten bij een “officieel” medium)? Of had Scheepmaker zijn column ook op een persoonlijke blog mogen publiceren? En gaat de vrijheid van expressie ook op voor een satirisch tv-programma of een snoeiharde rap?