Ironische Tijden en Kill Bill

L

even we in ironische tijden, of juist niet? De vraag houdt me bezig, schrijvend aan een Mediamores-hoofdstuk over “de waarheid” als hoogste doel voor de journalistiek. Staat in de Code van Bordeaux en in alle andere gedragsregels voor journalisten. We dienen de waarheid, toch? Maar wat als die waarheid door niemand meer serieus wordt genomen, vrijelijk wordt gemanipuleerd en door filosofen als onbestaanbaar wordt weggezet?

Mediamores is de titel van een boek over digitale cultuur, bloggende burgers en journalistieke ethiek, dat begin volgend jaar moet verschijnen bij Atlas. De vraag is hoe de nieuwe cultuur van internet en alomtegenwoordige media van invloed zijn op de mores van journalisten. Wat verandert er voor de kwaliteitsmedia, welke waarden zijn onaantastbaar, waar moet je de alledaagse praktijk rekening mee houden?

Dat “de waarheid” niet meer is wat-ie in de jaren vijftig was, toen internationale journalistenbonden in Bordeaux hun beginselen formuleerden, is wel duidelijk. De anti-autoritaire revolutie van de jaren zestig is er overheen gegaan. En daarna het postmodernisme, dat de waarheid uit elkaar begon te schroeven en aan diggelen relativeerde.

En inmiddels stellen filosofen als NRC-redacteur Rob Wijnberg ronduit dat de waarheid uberhaupt niet bestaat; er zijn alleen meningen. Wat bij Wijnberg leidt tot een actueel pleidooi voor het recht op vrije meningsuiting als het recht om te twijfelen – aan alles.

Kill Bill

Ik heb de indruk dat Wijnbergs liberale pleidooi in het verlengde ligt van het postmoderne denken van het einde van de twintigste eeuw. We relativeren alles, want waarom zouden we niet? Bij die houding hoort ook het door en door ironische: niets meer serieus nemen, niets accepteren als de waarheid, alles aan het wankelen brengen in een spel van dubbele lagen en intertekstuele verwijzingen.

Wie wil weten wat ironie aan het eind van de twintigste eeuw is, moet naar Pulp Fiction kijken. Regisseur Tarantino won met zijn low-budget verhaal een prijs in Cannes, een enorme zak geld, een bijna levenslange carte blanche van zijn producer Miramax en de reputatie meer dan wie dan ook de toon van zijn tijd te pakken te hebben.

De ironie van Pulp Fiction kennen we. Maar wat is er met Tarantino gebeurd en met de ironie toen hij de twee Kill Bill-films maakte? Tien jaar na Pulp Fiction waren die films even geweldadig, even gestileerd, even krankzinnig en fascinerend – maar bloedstollend serieus, in elk geval in vergelijking met de gangerfilm uit 1994.

Het is even een draai, maar ik zou wel willen proberen een verhaal te maken over de ironie in de digitale cultuur, en dus ook over de waarheid in een digitale cultuur, aan de hand van Kill Bill.

[wordt vervolgd]

Reacties zijn gesloten.