Dom van Google: Intellectueel Kikkerperspectief

Atlantic Monthly

Z

elfs grote intellectuelen lezen slecht, of lezen wat ze willen lezen. Toen Nick Carr de vraag opwierp of we dom worden van Google bedoelde hij: kunnen we minder goed lezen doordat we op het net informatie snacken? Leren we af langdurig een tekst te doorgronden? Carr had het over leesvaardigheid. Maar toch gaan reacties op zijn essay in The Atlantic Monthly over de vraag of we überhaupt dommer zijn geworden in het Google-tijdperk.

Carr schetst hoe hij het vermogen diepgaand te lezen lijkt te verliezen: “Ik heb het gevoel dat er iets of iemand met mijn hersens klooit.” Carr beweert niet in de eerste plaats dat hij minder weet of minder denkt: “My mind isn’t going – so far as I can tell – but it’s changing.” Voor zijn bestaan als schrijver van boeken is internet zelfs een “godsend“: alles wat hij wil weten, elk feitje dat een redenering kan ondersteunen, elk voorbeeld dat een anekdote kan inkleuren, ligt via Google voor het grijpen.

Maar de bredere worden-we-dommer-van-Google-vraag is natuurlijk spannender dan de engere. De reacties van vooraanstaande Amerikaanse denkers over digitale cultuur en technologie als Douglas Rushkoff, Kevin Kelly, Danny Hillis, George Dyson en Jaron Lanier kiezen dan ook voor het bredere verhaal. Merkwaardigerwijs betrekken ze dat dan weer, in een soort intellectueel kikkerperspectief, vooral op zichzelf en hun mede-intellectuelen, en veel minder op de samenleving als geheel.

Tsunami

Dat onderscheid is belangrijk. Door internet is veel meer informatie beschikbaar gekomen dan er vroeger was. De intellectuele voorhoede, die voorheen ook al makkelijk toegang had tot kennis maar nog zelf moest selecteren, ervaart het overweldigende aanbod op internet als een informatie-tsunami. En dus als schadelijk. Voor die elite biedt het net allicht meer informatie dan ze kan verstouwen.

Voor de meesten van ons ligt dat anders. De massa – en ik probeer die beladen term tegen beter weten in waardevrij te gebruiken – verzuipt niet in de information overload. De meeste mensen surfen over de golven. Zwemmen en duiken kunnen ze misschien niet, of niet zo goed als de informatiespecialisten, maar des te beter is het als ze tenminste meekrijgen wat zich aan de oppervlakte afspeelt.

Meer van minder

Op de cultuurkritiek van Carr en zijn collega-schrijvers (te lezen op de voortreffelijke site van Edge) valt nog meer af te dingen. Niet alleen beschouwen ze de informatiesamenleving louter vanuit hun exclusieve en elitaire positie, ook onderschatten ze de diepgang die internet mogelijk maakt, niet voor hen maar wel voor de massa. Dat is geen leven-in-de-breedte-diepgang, om een beeld van A.F.Th. van der Heijden te gebruiken, maar “puntdiepte”.

De vraag of we in het Googletijdperk meer dan wel minder weten, is belangrijk, maar in deze vorm helaas te simpel. Ik vrees dat het antwoord niet eenduidig is. Wie alles wil weten, het streven van de meeste ouderwetse intellectuelen, gaat als gezegd kopje onder. Maar wie minder ambitieus is, weet meer dan vroeger – maar dat meer is meer van minder.

Platter en breder

Toegegeven, dat is geen sexy antwoord. Maar voorlopig lijkt het me de beste benadering van de waarheid. Ik kan me goed de positie van intellectuele veelvraten voorstellen. Hun wereld is oneindig complexer, groter, breder en rijker geworden. En helaas ook platter, als een pannenkoek: er is zoveel dat ze kunnen weten, over zoveel onderwerpen, dat ze altijd tekortschieten.

Maar voor de meesten van ons biedt het net de kans om heel veel te weten over heel weinig. Alles over postduiven, de laatste letter over Michel Houellebecq, de diepere betekenis van vliegvissen in Canada, het alfa en omega van ADHD – en bijna niets over de rest. Misschien hebben we minder algemene ontwikkeling, maar daar staat tegenover dat we nu alles kunnen weten. Wikipedia is een klik om de hoek. En over het ene onderwerp, weten we prompt alles.

Puntkennis

Het werkt als volgt: naar mate onze kennis breder wordt, zo breed en plat als de wereld, wordt onze “puntkennis” bijna eindeloos diep. Dat is een gevolg van het feit dat we op internet makkelijker met mensen in contact komen die in hetzelfde exotische onderwerp geïnteresseerd zijn als wij. De ad hoc-groepen die aldus ontstaan, groepen rond een topic, heb ik infoclans genoemd.

We denken nog wel, en we denken nog even diep, maar misschien niet meer over dezelfde onderwerpen of niet meer langs dezelfde lijnen als de afgelopen tweeduizend jaar. Waarschijnlijk heeft de intellectuele elite – een term die ik ook al weer waardevrij tracht te gebruiken – nog steeds een monopolie op diepe en brede kennis. Dat was zo in de middeleeuwen, en is niet anders geworden in de informatiesamenleving van de twintigste eeuw.

Dat Google de wereld verandert, staat buiten kijf. Dat de technologie van internet de informatiesamenleving dramatisch versnelt, is evident. Dat we als samenleving vaardigheden kwijtraken – het diepgaand lezen waarover Carr het heeft -, en culturele waarden kwijtraken – zie Andrew Keen -, is net zo vanzelfsprekend. Maar daar staat winst tegenover. En ik ben er nog lang niet van overtuigd dat het saldo negatief is.