Het Wansterbaanprincipe: Krant Voor De Laatste Lezer

18 november 2008 Geen categorie 4

V

erstandige dingen zeggen Hans Wansink en Warna Oosterbaan in hun boek De krant moet kiezen. Ze pleiten voor het behoud van kwaliteitsjournalistiek, die eigenwijs moet zijn, enig zelfvertrouwen moet tonen, open kaart moet spelen met moderne lezers en geen schrik moet hebben voor internet – en wie kan daar tegen zijn?

Minder verstandig is dat ze een paar dingen niet zeggen. Wansink en Oosterbaan, van respectievelijk de Volkskrant en NRC Handelsblad, verdedigen in hun boek de klassieke waarden van de journalistiek. Kranten moeten nieuws brengen en dat nieuws van commentaar en duiding voorzien.

Om dat goed te kunnen blijven doen in een markt die geteisterd wordt door dalende oplages, deserterende adverteerders en rovende investeringsfondsen moeten kranten ervoor kiezen ook een aantal dingen niet meer te doen. Shownieuws en trivia, geven de auteurs als voorbeeld.

Wansink en Oosterbaan vinden dat de strategie van steeds verdere verbreding van de krant met steeds meer katernen, met radio- en tv-experimenten en glossy bijlagen aan heroverweging toe is. Ze bedoelen: als je straks moet kiezen waar je je geld nog aan uitgeeft als redactie, bezuinig dan niet op het oude handwerk, op buitenlandse correspondenten en deskundige politiek of economisch redacteuren, maar doe al dat lichte spul de deur uit.

ELITE

De beide dagbladjournalisten hopen dat er nog lang een markt zal zijn voor een – zeg maar gerust – elitair dagblad. Ze noemen het zelf een tikkeltje paternalistisch. Dat moet kunnen, en staat haaks op het ideaal van een krant die de lezer geeft wat de lezer behaagt. Ik vermoed dat de grote pleitbezorger van de lezersgerichte krant, Leon de Wolff, het ernstig met Wansink en Oosterbaan oneens is.

Hoewel De krant moet kiezen zeer leesbaar is, en de juiste analyses geeft van de kwijnende dagbladmarkt, miste ik toch een paar dingen. De zeven aanbevelingen waarmee Wansink en Oosterbaan aan het eind van krap 200 pagina’s komen, zijn niet bijster verrassend, om niet te zeggen open deuren. Al mag de waarneming dat de Volkskrant en NRC niet in handen van hetzelfde concern zouden moeten zijn, er wel wezen.

Meer moeite heb ik met hun paternalisme. Niet als recept voor een krant – ik heb in PopUp ook gepleit voor creatieve, onafhankelijke en eigenwijze journalistiek, voor journalisten die een verhaal willen vertellen, die durven te analyseren en hun persoonlijkheid durven in te brengen. Maar datzelfde paternalisme lijkt me in de weg te hebben gestaan toen Wansink en Oosterbaan aan hun onderzoek begonnen.

Dat nrc next een commercieel succes is – en inderdaad een overtuigend voorbeeld van innovatie – betekent nog niet dat heel Nederland rijp is voor die krant. Ik kan me goed voorstellen dat hun “Wansterbaanprincipe” gaat werken voor NRC, en misschien ook wel voor de Volkskrant, maar voor de andere kranten in Nederland (samen 3 miljoen oplage) is het een soort pil van Drion.

Wansink en Oosterbaan hebben naar mijn gevoel te weinig doorgedacht over het leesgedrag van jongeren en jongvolwassenen. Ze zien maar een klein, exclusief deel van de markt – de hoogopgeleide, spraakmakende elite – en willen daarvoor een krant maken. Ik vind die zelfverkozen opdracht wat te beperkt en blijf zitten met de vraag: welke journalistiek hebben we nodig om veel grotere groepen in de samenleving bij de democratie te betrekken dan de 80duizend lezers van nrc next?

Reacties zijn gesloten.