2008: Het Jaar Dat Alles Anders Werd

V

oor de media was 2008 het jaar waarin alles veranderde. De eerste, aarzelende innovaties (Next) zijn omgezet in een veel grotere innovatiedrang. Het besef dat kranten geen vanzelfsprekende toekomst hebben, is door kredietcrisis en recessie omgeslagen in lichte paniek. Wie nu beweert dat de journalistiek per se interactief moet worden, of anders met de oude media zal wegkwijnen, wordt niet langer versleten voor fantast of fatalist.

Die omslag heeft zich uiteraard niet binnen één jaar voltrokken, en is evenmin voltooid. Met de mond belijden dat we radicaal moeten vernieuwen, is nog iets anders dan er geld voor vrijmaken. Erkennen dat lezers terug willen praten, bloggend of in comments, met kritische lezersbrieven of op eigen “burgerjournalistieke” websites, blijft iets anders dan die lezers linksom of rechtsom bij je krant of omroep betrekken en hun inbreng serieus nemen.

Niettemin heb ik het gevoel dat 2008 over tien jaar het omslagjaar zal blijken te zijn geweest. Dat optimisme haal ik uit congressen als die van de World Association of Newspapers, die minder oogklepperig zijn dan ze voorheen waren. Hoewel de journalistiek nog wel wat papieren tijgers kent, zijn redacties nu in meerderheid doordrongen van de onontkoombaarheid van internet, zoals ze drie jaar geleden nog in meerderheid sceptisch, angstig of afwijzend waren.

Kanteljaar

Directe reden om eens na te denken over 2008 als kanteljaar, is een onderzoek waarover ReadWriteWeb publiceert. Die 2.0-site meldt dat in de VS nu 58% van de top-100-kranten gebruik maakt van user generated content. In 2007 was dan nog maar 24%. Liefst 75% staat comments toe onder nieuwsartikelen, meer dan twee maal zoveel als een jaar geleden (33%). Bijna iedereen gebruikt bookmark-buttons als die van Delicious of Digg, tegen 7% in 2006.

Al vijftien jaar lopen kranten in de Verenigde Staten een jaar of twee voor op die in Nederland. Dat geldt zowel voor de economische nood waarin ze verkeren, voor het gevoel van urgentie dat vervolgens ontstaat, als voor de mate waarin ze willen innoveren. Daardoor kunnen Nederlandse dagbladen leren van Amerikaanse ervaringen, maar de schaduwzijde is uiteraard dat we ook zien wat ons voorland waarschijnlijk is: oplagedalingen, banenreducties en faillissementen – zie bijvoorbeeld James Surowiecki in The New Yorker.

Ik word daar niet fatalistisch van. Een onoplosbaar probleem is geen probleem, zei mijn leermeester Gerard Krul ooit, en bestelde een biertje. Bij de pakken neerzitten heeft even weinig zin als blijven hangen in Gordiaanse dilemma’s. Liever probeer ik te begrijpen waarom oplages dalen, accepteer ik dat ze waarschijnlijk zullen blijven dalen, probeer ik dat proces te remmen door de best mogelijke krant te maken en gebruik ik de resterende tijd om een uitweg te vinden voor de journalistiek.

Tijd

De bestaande betaalde kranten zullen verdwijnen. Beweer ik al een jaar of acht. Het kan nog een jaar of tien duren, maar dan is het niet meer de vraag of ze verdwijnen, maar welke krant als laatste het loodje legt. Dat vooruitzicht lucht op en biedt kansen. De journalistiek heeft de tijd de bestaande kranten aan te passen, bijvoorbeeld door ze gratis te maken, of veel duurder, of specialistischer. Want gratis kranten zullen blijven bestaan, net als hele dure kwaliteitskranten of nichekranten (al hoeven dat niet de huidige kranten te zijn die zichzelf graag zo zien).

Nog interessanter dan de toekomst van de media is het lot van de journalistiek. Is een post-mediale journalistiek denkbaar, vroeg Jeff Jarvis zich ooit af. Hoezeer ik ook doordrongen ben van de noodzaak van journalistiek, als waakhond in een democratie, vanzelfsprekend vind ik die journalistiek niet. Het enkele feit dat journalistiek belangrijk is, betekent niet dat er ook altijd geld voor zal zijn, tenzij de overheid die journalistiek subsidie geeft, zoals ze nu al doet voor de journalistiek van de Publieke Omroep.

Ook op dit punt ben ik niet de propagandist van burgerjournalistiek waarvoor ik soms versleten word. Ik beweer niet dat amateurjournalistiek de professionele journalistiek kan vervangen, of gaat vervangen. Wel geloof ik dat de beroepsgroep – die zelf door bezuinigingen van media steeds zwakker wordt – allengs meer te stellen krijgt met “bloggende burgers”. Die worden mondiger, luisteren minder, en eisen een plek op het podium.

Horde

Wordt het land daar beter van? Moeten we blij zijn dat een honderd jaar oude elite van professionele journalisten een beetje aan de kant wordt gedrongen door wat Andrew Keen ziet als een horde narcistische idioten?

Hoewel internet soms vergeven lijkt van populistische halvegaren bestaat die horde niet uit louter idioten. Sterker nog: die horde bestaat niet. Wat de oude journalistiek aanziet voor een oprukkend leger, is in wezen niet meer dan een betrekkelijk kleine groep. Dat die groep gehoord wordt, komt niet eens doordat ze op internet gehoord kan worden, maar doordat ze aan de oude media, die de grootste uitwassen en leukste primeurs (Rutger stuurt Ella naar huis), een verpletterende megafoon hebben. Zonder oude media, bedoel ik maar, was het een stuk rustiger op internet.

Burgerjournalistiek is een manke term. Je krijgt de indruk dat er een journalistiek van burgers bestaat die het opneemt tegen het professionalisme van pakweg 13duizend journalisten (in Nederland). In werkelijkheid hebben we het over een paar handen vol niet-gebonden journalisten die op internet over even brede onderwerpen publiceren als journalisten doen – en over duizenden en duizenden “bloggers” die op hun eigen kleine terrein, heel specialistisch en soms verbluffend deskundig zo nu en dan iets publiceren voor een paar honderd gelijkgestemden.

Reacties zijn gesloten.