De Internetseksuelen Van Hans Wansink

25 december 2008 Geen categorie 4

H

ans Wansink en Warna Oosterbaan schreven een aardig boek over de toekomst van kranten. In een interview met Alexander Pleijter zet Wansink zich af tegen “internetseksuelen” die de krant dood verklaren. Met die internetseksuelen bedoelt hij mij en Mark Deuze, met wie ik samen PopUp schreef.

Onder de post op Pleijterblog heb ik gereageerd, omdat Wansink mij wel erg krom citeert. Daarmee profileert hij zichzelf natuurlijk lekker als wijze oude man met een hart voor klassieke media, maar laat hij ook zien dat hij – doelbewust of niet – onze boodschap onbeholpen samenvat.

Als Deuze en ik in PopUp en daarbuiten het einde van de krant aankondigen, beperken we ons altijd tot de “bestaande, betaalde” kranten. Ik heb dat uitentreure uitgelegd. Kranten hebben een kans als ze zichzelf opnieuw uitvinden, gratis worden, of andere journalistiek gaan bedrijven, of kiezen voor een ander formaat, een ander verschijningsritme, een ander distributiemodel, een andere drager dan papier, et cetera.

In de vergelijking heb ik altijd ook de gratis kranten betrokken. Het is daarom tamelijk idioot om, zoals Wansink doet, de opkomst van gratis kranten te gebruiken om aan te tonen dat het helemaal niet zo slecht gaat met kranten. Te meer niet omdat de opkomst van gratis kranten de ondergang van de bestaande, betaalde kranten wel degelijk versnelt (uit onderzoek van Piet Bakker weten we dat de oplagedaling van kranten voor een klein deel wordt veroorzaakt door de beschikbaarheid van gratis kranten).

Bezopen

Even bezopen is de kwalificatie “internetseksuelen”. Ik heb geen flauw benul wat Wansink er eigenlijk mee bedoelt. Het klinkt toch nog het meest alsof een zuinige bal een schuine grap vertelt. Maak je tegenstander belachelijk, dan hoef je niet met ‘m in de debat.

Maar belangrijker natuurlijk is het misverstand bij Wansink dat bloggers de journalistiek niet veranderen. Ik snap dat wel, het is ook moeilijk en paradoxaal. Kern van de zaak is dat niet-professionele journalisten zich via internet met het nieuws gaan bemoeien (en of je ze nou bloggers noemt, is bijzaak). Dat doen ze door er een mening over te hebben, door feiten aan te vullen, door zelf een keuze te maken uit het nieuws, en door het nieuws aan elkaar door te geven.

In essentie nemen ze daarmee een deel van de taken van journalistieke media over: duiding, controle, selectie, distributie. Daarmee zeg ik – even opletten Hans – niet dat “burgers” die taken helemaal over nemen en journalisten dus geen rol meer hebben in het duiden van nieuws. Integendeel. Ik beweer slechts dat die taken voortaan gedeeld moeten worden met het publiek. Dat wordt op het net wel eens interactie genoemd.

Burgerjournalistiek

Ook beweer ik niet dat alle “burgers” journalisten worden. Sterker: ik heb een hekel aan de term burgerjournalistiek, omdat die impliceert dat je twee soorten journalistiek hebt, afhankelijk van het al dan niet bij een beroepsgroep horen. Dat is flauwekul. Er bestaat iets wat journalistiek heet, of journalistiek handelen. Dat kun je de maat nemen, zonder de vraag te stellen of de journalist een burger is of een professional.

Tenslotte: ja, de media zullen moeten veranderen door de opkomst van internet. Maar nee, niet elke burger wel een blogger zijn. Groot was het misverstand van Scoeps dat elke Nederlander wel journalist wilde zijn. Waarschijnlijker is dat maar 1 op de duizend Nederlanders zo nu en dan iets wil doen dat in de verte op journalistiek lijkt (iets over het nieuws zeggen voor mensen die je niet kent).

Dat is een betrekkelijk kleine groep. En het aantal frequente nieuwe journalisten (niet-professionals dus), zal nog veel kleiner zijn. Maar wie blijft volhouden dat internet in Nederland geen gevolgen heeft voor de oude media, dat interactiviteit hier niets toevoegt, speelt een onverantwoord spel met het enige wat de oude media nog resteert: een jaar of tien om samen met het publiek naar een nieuw verdienmodel te zoeken.

Reacties zijn gesloten.