Henk Hofland snapt het helemaal en toch ook niet

Hoeveel dieper kunnen de Nederlandse dagbladen wegzakken in het moeras? PCM dreigt te worden verkocht en doorverkocht, waarbij de ene helft van de kranten in handen kan komen van de Belg Van Tilloo en de andere verdoold raakt. Wegener gaat kapot aan de schulden van de Britse eigenaar Mecom. De Telegraaf stort zich op de publieke omroep.

Het goede nieuws: de kranten zijn volledig bij de les. De kredietcrisis en adverteerdersstaking hebben de langzame aftakeling in een gruwelijke versnelling gebracht. Geen journalist – ook good old Henk Hofland – of hij snapt dat het water hem en zijn krant aan de lippen staat. En dat het niet meer vanzelf goed komt.

Terecht zegt Hofland in NRC dat serieuze kranten van het grootste belang zijn voor de publieke opinie. Objectieve nieuwsvoorziening en gefundeerde opinievorming zijn onmisbaar in een democratie. Hofland – ‘het hoge woord moet er maar uit’ – legt zich erbij neer dat dat een zaak van de elite is, van ‘een relatief kleine groep mensen’.

Hofland maakt drie fouten. Hij maakt zich druk om de toekomst van de krant – die inderdaad niet vrolijk stemt -, maar zou het over de toekomst van de journalistiek moeten hebben. Dat doet Hofland omdat hij zich, ten onrechte, geen pers kan voorstellen zonder pers, geen journalistiek zonder krant. Terwijl er wel degelijk zoiets als post-media journalism denkbaar is, ook al doet de staat van internet – onmiskenbaar een poel met bagger – nu soms anders vermoeden.

De  derde vergissing van Hofland is dat hij niet verder kijkt dan de elite, en zich niet kan voorstellen dat internet bijdraagt aan de democratisering van de publieke opinie. Vermoedelijk kan Hofland zich bij het net niets anders dan die baggerpoel van reaguurders voorstellen. Als de zwijgende meerderheid het woord neemt, komt daar niets goeds uit voort, denkt hij.

Hoflands pessimisme is gebaseerd op zwartwit-denken. Als de elite het debat niet in goede banen leidt, kakelt het hele volk mee. Als iedereen mag meepraten, verzuipt de cultuur. Hoewel de beginjaren van internet warempel die kant op hebben gewezen, zijn er ook genuanceerde grijstinten te vinden – en een scheut technologisch optimisme helpt daarbij.

Het is een misverstand te denken dat iedereen meepraat. In feite maakt maar een kleine minderheid gebruik van de mogelijkheid op internet mee te praten, het publieke debat mee vorm te geven. Zolang vooral de grootste schreeuwerds hoorbaar zijn, niet in de laatste plaats omdat de klassieke massamedia hun geraaskal uitvergroten, horen we te weinig wat de rest te zeggen heeft.

Die rest richt zich niet zoals de gemiddelde mediatrol tot de massa, maar tot een veel kleiner publiek, een niche in een niche. En hij of zij doet dat ook niet regelmatig, of in overvloed, maar incidenteel, vandaag bij dit onderwerp, morgen over dat topic. Dat staat allemaal haaks op de mechanismen en patronen van de massamedia.

Naar mate we meer vertrouwd raken met de kleinschaligheid van internet, en met andere soms hinderlijke verworvenheden (de directheid, de grenzeloosheid, de anonimiteit, de moeizame ironie), zullen de querulanten langzaam worden verdrongen door een debat dat wel de moeite waard is. Geen massaal debat waarschijnlijk, maar talrijke nichedebatten.

Kunnen die dan een functie hebben in het publieke debat? Dat is immers per definitie massaal, het is per defenitie van en voor ons allemaal. Ik denk het wel, omdat de techniek van internet (het vermogen om veel informatie van heel veel mensen te aggregeren) daarbij zal helpen.

Reacties zijn gesloten.