Hofland is te karig in De Groene

22 maart 2009 Geen categorie 1

Het is van een pijnlijke ironie. Schrijft Henk Hofland eindelijk dat finale stuk over de toekomst van de krant, is De Groene Amsterdammer waarvan hij voor één nummer hoofdredacteur is, in  en om Groningen overal uitverkocht. En lees ik zijn essay online, want dat heeft De Groene prima voor elkaar (maar alle andere artikelen zijn alleen toegankelijk voor abonnees).

De toekomst van het bedrukt papier is een voortreffelijk panoramisch overzicht van politiek en pers van de afgelopen dertig jaar, maar het trekt een karige conclusie. Hofland beschrijft de depolitisering en de parallelle opkomst van funcultuur en populisme. De oude idealen en klare vijanden zijn verdwenen met de val van de muur in 1989, schrijft Hofland. En sindsdien is er van alles stuk.

Dat kranten ten onder gaan – en Hofland erkent dat het niet goed gaat – komt van het consumentisme. De pers deed mee aan de verleuking en internet deed de rest. De media hebben het aan zichzelf te danken, concludeert de “beste journalist” van de vorige eeuw, en gelijk heeft hij. Maar daarmee komt ook de democratie in het gedrang die nu eenmaal niet zonder debat en zonder een geïnformeerde burger kan bestaan.

Tegenwicht

De ‘onafhankelijke serieuze media’ moeten tegenwicht bieden. “Ze hebben de mogelijkheden en die worden door de redacties gebruikt. Maar kennelijk is dat onvoldoende. Sinds een jaar of tien heeft zich in de openbare mening een magma van ontevredenheid, gevoel van miskenning, verongelijktheid gevestigd. Daar worden de journalisten als linkse meelopers, politiek correcte verraders en lidmaten van de linkse kerk beschouwd.”

De kranten hebben het lang volgehouden om tegenspel te bieden aan de “gedigitaliseerde stem des volks”, maar onder druk van de economische crisis kunnen de zwakste media het niet meer volhouden. Regionale kranten verdwijnen, in Amerikanen houden grote kranten met nationale allure op te bestaan. Hofland: “Daarmee wordt een fundament van de westerse democratie in zijn voortbestaan bedreigd.”

Hofland acht een onafhankelijke journalistiek noodzakelijk en suggereert dat de overheid daarvan desnoods een “nutsvoorziening moet maken”: “Een natie kan niet zonder een politiek-literaire elite, zoals ze ook niet kan zonder een medische elite, een juridische elite of een elite van ingenieurs. Het zou het beste zijn dat de twee kranten (Volkskrant en NRC, HB) zich verzelfstandigen. Dat ze op de een of andere manier voor hun eigen exploitatie verantwoordelijk worden waardoor ze ophouden handelswaar te zijn. Onafhankelijkheid is niet te koop.”

Dat is, na zo’n brede beschouwing, natuurlijk een karige conclusie. Hofland kan zich kennelijk geen “journalistieke elite” – want daarop doelt hij met die “politiek-literaire” elite tenminste ook, lijkt me – niet voorstellen zonder kranten. Dat is jammer. Ik deel zijn mening dat de samenleving behoefte heeft aan journalistiek, en dat zal wel per definitie een journalistieke elite zijn, maar blijf pleiten voor meer verbeeldingskracht en innovatie om die na het wegkwijnen van de kranten mogelijk te maken.

Reacties zijn gesloten.