Google en de Mediawet

Op De Nieuwe Reporter reageert Peter Olsthoorn op mijn artikel in de Volkskrant onder de kop “Google moet in de mediawet”. Dat stuk is een voorpublicatie uit Mediamores, het – ingekorte – eerste hoofdstuk om precies te zijn. De kop dekt de lading niet helemaal, daar heeft Peter Olsthoorn een punt. Het gaat mij in het verhaal minder over de wet dan over het mediabeleid, en ja, natuurlijk staat Google niet alleen voor Google.

Olsthoorn vindt dat Google, anders dan ik graag zou zien, niet in de Mediawet past. Die wet gaat volgens hem louter en alleen over de omroep, meer in het bijzonder over de Publieke Omroep. Dat is niet juist, zoals ik hier onder maar even uitleg, en beside the point, zoals ik aan het eind van mijn reactie op DNR uit heb gelegd. Die reactie volgt hier:

De Mediawet gaat heel veel pagina’s, Peter Olsthoorn heeft gelijk, over de publieke omroep. Maar het is natuurlijk niet zo dat “de pers” er niet in voorkomt. De wet zegt bijvoorbeeld dat er een Commissariaat voor de Media is, waarbij kranten moeten aankloppen als ze ook een omroepje willen beginnen, en een Stimuleringsfonds voor de Pers dat, het woord zegt het al, niet alleen over de omroep gaat, maar het wisselgeld verdeelt dat overblijft als de publieke omroep gefinancierd is.

Dat de pers – de kranten bedoel ik nu – in moeilijkheden is, heeft die pers niet in de laatste plaats aan zichzelf te danken. Te conservatief, te voorzichtig, te angstig, niet goed opgelet toen bijvoorbeeld Google er met de core business (zoeken en vinden van informatie) vandoor ging. Ik ben, pardon: was een jaar of acht geleden, een van de eerste vertegenwoordigers van de oude pers om dat toe te geven. Veel collega’s nemen mij het nog steeds niet in dank af.

Maar het mediabeleid van de overheid heeft ook van alles te maken met de benarde positie van de kranten. Het bevoordeelt de publieke omroepen. Ik heb bijvoorbeeld nooit goed begrepen waarom die betrekkelijk risicoloos op internet kunnen innoveren, terwijl kranten het geld voor innovaties zelf moeten ophoesten. Maar dat is niet mijn grootste probleem met de Mediawet, noch het punt dat ik probeer te maken met mijn boutade dat Google in de die wet thuishoort.

Google is een mediabedrijf, zij het een mediabedrijf zonder eigen journalisten. Maar het lijkt meer op The New York Times dan op Microsoft, het heeft meer betekenis voor de manier waarop wij media consumeren dan wat we met software doen. Dat is zo omdat de Google-generatie Google zo gebruikt, hoe vreemd en onverantwoordelijk oudere journalisten dat soms vinden (ik vind het helemaal niet vreemd en onverantwoordelijk).

Omdat Google zo’n grote invloed heeft op het “mediagedrag” van om te beginnen de Google-generatie (iedereen geboren na 1980), vind ik dat de overheid daar iets van moet vinden. En er in zijn mediabeleid, bij het toekennen van overheidsfinanciering en -steun, en bij het nadenken over de pluriformiteit van de pers, rekening mee moet houden. Dat hoeft wat mij betreft niet te leiden tot een verbod op Google – waar Buiter voor pleit -, maar mag best leiden tot meer vrijheden en steun voor andere mediabedrijven. Zoiets wordt wel een level playing field genoemd.

Peter Olsthoorn heeft gelijk dat de Mediawet archaisch overkomt en dat Google er niet in past – het is alsof je een bruine vinvis is je zolderaquariumpje probeert te proppen. Maar dat is precies mijn bezwaar tegen het mediabeleid van de overheid: het geeft heel veel aandacht aan de Publieke Omroep, terwijl de mediaconsument inmiddels met heel andere dingen bezig is. Daarover zou de overheid een opvatting moeten hebben, meer dan waarvan die overheid tot dusver bijvoorbeeld in de Persbrief blijk heeft gegeven.