De Google-generatie zit niet te wachten op informatieprofessionals

3 juni 2009 Geen categorie 5

De Google-generatie zit niet te wachten op informatieprofessionals (zal ik beweren tijdens Integrity 2.0, op een congres van Information Professional). Wie geboren is na 1980 en opgroeide met het gemak van internet, de overvloed aan gratis nieuws en het naakte benul dat je ook wel door het leven kunt zonder woningmakelaar, relatiebemiddelaar, dagbladjournalist of bibliothecaris, beziet de informatiespecialist met deernis.

Dooie bomen, denken jongere mediaconsumenten als ze een krant in de kiosk zien liggen. Zó jaren negentig, als ze een Wehkamp-catalogus doorbladeren. Get a life, als ze een goed getrainde pro de meerwaarde horen uitleggen van “gevalideerde” informatie.

Scepsis is de grondhouding van de Google-generatie, onder wie ik gemakshalve iedereen onder de 35 of 40 beschouw; nogal wat mensen van even voor 1980 hebben het internet weliswaar niet met de paplepel ingegoten gekregen, maar zijn er inmiddels ook door aangestoken. Ze wantrouwen de media. Dat hebben die kranten en omroepen deels aan zichzelf te danken. Te afstandelijk, niet “lezersgericht”, soms ronduit arrogant. Maar belangrijker is dat kranten ongeveer even sexy zijn als een oud model Nokia, Windows 95 of een broekrok uit 1978.

Generatiekloof

De Google-generatie denkt geen journalisten nodig te hebben, evenmin als een twintigdelige Winkler Prins of Encarta-cdrom (Microsoft heeft de uitgave recent gestaakt). De overvloed aan concurrerende bronnen (Wikipedia) is zo groot, en zoveel eenvoudiger te raadplegen, dat ze al bijna vergeten zijn dat hun ouders vroeger een encyclopedie op het dressoir hadden staan.

Hier openbaart zich een generatiekloof. Zoals veertig-plussers zijn opgegroeid met massamedia en informatieschaarste is de Google-generatie groot geworden met overvloed en het tegenovergestelde van massamedia. Wat dat laatste is, weten we nog niet precies. Maar het staat vast dat de controle over nieuwe media in handen is van de gebruiker, dat op internet kleine groepen beter gedijen dan menigtes (dat geldt zelfs voor miljoenen leden tellende sociale netwerksites als Hyves), en dat betrouwbaarheid of precisie nu van minder belang zijn dan toen het NOS Journaal nog de waarheid in pacht had.

Veertigplussers kunnen het zich nauwelijks voorstellen, maar de Google-generatie weet dondersgoed dat veel informatie op internet met een korreltje zout moet worden genomen. Ze zijn mediasavvy genoeg om de betrouwbaarheid van Wikipedia of een shockblog als GeenStijl te relativeren. Ze kunnen prima met een zekere marge van onzekerheid uit de voeten, zoals ze ook geen moeite hebben met information overload – alleen veertigplussers klagen daarover.

Lisa

Jongere mediaconsumenten hebben hun eigen informatiestrategie ontwikkeld. Ze switchen tussen een veelheid aan bronnen, die elke dag opnieuw hun nut moeten bewijzen. Elke vorm van merkentrouw is hun vreemd. Ze wisselen even soepel van nieuwsbron als van ondergoed. Daarbij gebruiken ze de kracht van het netwerk: je kunt immers elk feit checken bij Google, Twitter, je vrienden op MSN of Hyves, of met een sms-je naar die vijfenvijftig andere fans in je persoonlijke Lisa Hordijk-fanclub (wie niet weet wie Lisa is, Google “Lisa”).

Behalve sceptisch en behendig is de Google-generatie ook stronteigenwijs. Ze denken ten onrechte het allemaal zelf te kunnen rooien en geen experts nodig te hebben. Waar ze gelijk hebben met hun kritiek op zelfvoldane professionals die weigeren te accepteren dat een archaïsch verdienmodel in duigen ligt (de krant niet minder dan de oude bibliotheek of makelaarspraktijk), vergissen ze zich in hun mogelijkheden zelf informatie te maken, als burgerjournalist bijvoorbeeld.

De “burger”, een ongelukkige aanduiding die hier alleen het verschil markeert met de “professional”, kan niet embedded naar Uruzgan. Hij onthult als klokkenluider misschien eens een fraude bij een multinational, maar ontrafelt niet elke misstand bij banken of ministeries. Civic journalism heeft een dozijn spectaculaire scoops opgeleverd, maar haalt het in kwantiteit en kwaliteit niet bij de honderden of duizenden even belangrijke dossiers die professionele journalisten hebben blootgelegd.

Disintermediation

Daarmee praat ik de afstandelijke arrogantie van de pers niet goed. En nog minder wil ik suggereren dat disintermediation (de overbodigheid van veel oude informatietussenpersonen) het businessmodel van kranten niet onderuit heeft geschoffeld.

Dat heeft de informatierevolutie van internet allemaal wel gedaan. Het simpele morele oordeel dat de democratische samenleving niet zonder professionele journalisten kán, is geen garantie dat die samenleving voor die dienstverlening van waakhonden zal blijven betalen.

Een moreel oordeel is geen business case. Waarde toevoegen aan een systeem – élk economisch systeem – is dat wel. Daarom zullen journalisten betere verhalen moeten gaan vertellen, en die beter gaan vertellen. Ze zullen meer onderzoeksjournalistiek moeten gaan bedrijven, en het nieuws van gisteren niet langer moeten opschrijven alsof het vandaag nog relevant is. En ze zullen hun verhalen vaardiger moeten opschrijven, in zinnen die overdonderend goed lopen, in columns die je bij de strot grijpen, in beelden die op je netvlies blijven plakken.

Schaars

Dat lukt alleen – want ook hun tijd is schaars, en de dalende oplages en advertentie-inkomsten slaan genadeloos toe – als ze andere zaken overlaten aan Het Netwerk. Met distributie van informatie is sinds de digitalisering geen droog brood meer te verdienen, porno, sportuitslagen en beurskoersen nog even uitgezonderd. Commentaar levert de Google-generatie liever zelf (zie de comments op nieuwssites en blogs). En Google is hun filter.

Blijft over de waarde van “gevalideerde” informatie. Wie alles zelf kan controleren, betaalt liever minder en neemt de onzekerheid voor lief. Dat geldt in elk geval voor de bulk, voor de massa. Het verandert pas, en dan nog misschien – ik kan leven met waarheden van 70 procent -, als het er echt toe doet, als het je echt raakt, als het een zaak van leven of dood is. Voor de informatieprofessional betekent dat onherroepelijk dat hij een betere professional moet worden, met een scherp oog voor het individu, zijn kleine groep en de kracht van niches.

[dit stuk is ook verschenen in nummer 6 van Informatie Professional, het vakblad voor informatieverwerkers; op 11 juni zal ik tijdens de IP Lezing verder ingaan op deze draad uit Mediamores]

Reacties zijn gesloten.