Of er een rol voor burgerjournalistiek is?

26 september 2009 Geen categorie 16

Of er een rol voor burgerjournalistiek is, vroeg van de week een bevriende journalist. Een rol waarin? In de journalistiek, in de manier waarop we een democratische samenleving geïnformeerd willen houden? Of in de samenleving überhaupt, bijvoorbeeld als infotainment? Tussen die twee uitersten zit een groot verschil.

Burgerjournalistiek is een begrip dat verwarring sticht. Het suggereert dat er twee soorten journalistiek bestaan. Tot welke soort je behoort, en welke privileges dat oplevert (je krijgt een perskaart, je wordt beoordeeld door de Raad voor de Journalistiek), hangt af van jouw persoonlijke status. Als je geen betaald fulltime journalist bent, ben je burgerjournalist.

Die benadering deugt niet meer. Of iets journalistiek is, hangt af van het product, niet van de producent. Van het verhaal, niet van de verteller. Ook een vrijwilliger in een buurthuis, een bloggende wetenschapper, een eerstejaars student en een columnist bij een grote krant – denk aan wat Martin Bril deed – kunnen journalistiek bedrijven – ook al zijn ze geen van alle journalist van professie.

Overschat

De vraag is natuurlijk of al die mensen goede journalistiek bedrijven. Dat hangt louter af van wat ze maken. Bij gebrek aan professionele training, een ethische beroepscultuur en dagelijkse correctie door collega’s, leveren ze vaker niet dan wel goede journalistiek af, en meestal een product dat niet eens als journalistiek kan worden beoordeeld.

Blijft over de vraag of alle niet-professionele journalistiek, laten we zeggen de journalistiek van bloggers en twitteraars, wordt overschat of niet, van belang is voor de samenleving of niet.

Ik denk dat het aantal mensen dat iets wil doen wat op journalistiek lijkt, veel minder groot is dan wordt aangenomen; in die zin wordt burgerjournalistiek zeker overschat. Skoeps dacht dat Nederland 16 miljoen burgerjournalisten telt. In werkelijkheid ligt het aantal mensen dat zo nu en dan de werkelijkheid wil beschrijven voor een breed en onbekend publiek (dus niet voor je 200 Hyves-vrienden) een factor duizend lager (een calculated guess).

Mondige vertellers

Maar ook met 16duizend Nederlanders die misschien niet dagelijks, maar toch wel regelmatig, verslag doen van een gebeurtenis in hun eigen niche (wat een bedrijfstak kan zijn, een wetenschap, een technologische ontwikkeling, etc), krijgt de professionele journalistiek te maken met een grote groep mondige verhalenvertellers die voorheen, toen internet nog niet bestond, niet kon worden gehoord.

Zes jaar geleden waren er in Nederland nog 13000 journalisten. Dat zijn er nu enkele duizenden minder. Zeker, de opkomst van “burgerjournalisten”, ook al is die veel kleiner dan gemeenlijk wordt gedacht, vormt een bedreiging voor de beroepsgroep. Maar voor de samenleving van geïnformeerde burgers is het waarschijnlijk een zegen dat er uit een andere hoek ook weer meer journalistieke informatie komt.

Maar klopt het ook?

Waarop elke beroepsjournalist zal zeggen: maar hoe weet ik nou of wat die blogger zegt ook klopt? Hoe kan ik hem vertrouwen? Ik wil hem wel op zijn product beoordelen en niet op zijn persoon, maar hoe weet ik of zijn product wel journalistiek is, en geen flauwekul?

Goed punt. Twee antwoorden. In de eerste plaats zal de beroepsjournalistiek de “burger” moeten uitleggen wat journalistiek is, wat de ethiek is. Met dat doel heb ik meegeschreven aan de Code voor de Journalistiek. In de tweede plaats geloof ik dat het internet niet alleen het probleem van de (de betrouwbaarheid van) burgerjournalistiek liet ontstaan, maar het ook zal oplossen. Met zoekmachines en reputatiesystemen zullen we elkaar op internet laten zien wie en wat we vertrouwen; daar is, helaas, niet per se een beroepsjournalist voor nodig.

Reacties zijn gesloten.