De DSB-canard van de Volkskrant en “zou” als modaliteit

24 oktober 2009 Geen categorie 0

Pieter Broertjes van de Volkskrant en zijn ombudsman Thom Meens houden staande dat hun krant zich niet heeft vertild bij de krakende primeur over de nakende ondergang van DSB, op 12 oktober. De krant gebruikte immers het woordje “zou”. Ik vond en vind dat er sprake was van een canard, en nogal wat lezers van de Volkskrant vonden met mij dat de Volkskrant blunderde.

Waar komt dat verschil vandaan? Hoe kan het dat je als krant zo stellig denkt aan de goeie kant van de lijn te staan – Broertjes en Meens komen heel stellig over -, terwijl je critici aan hun water voelen dat er iets niet deugt? Waarom is Broertjes trots op de DSB-scoop, terwijl ik dat verhaal een canard noem – wat een tikje hard is, maar vooruit, als het waggelt als een eend…

Het zit ‘m in de manier waarop de Volkskrant gebruikt maakte van het woordje “zou”. De opening van de krant in het weekend met vergaderingen bij De Nederlandsche Bank bevatte deze cruciale zin:

De rechter zou vannacht op verzoek van toezichthouder DNB de zogenoemde noodregeling toepassen op DSB Bank.

Kijk, zeggen Broertjes en Meens, daar staat het woordje zou. Dat is in de journalistiek de gebruikelijke manier om een slag om de arm te houden. De lezer snapt dat, en de Raad voor de Journalistiek – als die er aan te pas komt – kan er ook mee leven.

Een ander soort zou

Maar dat zou in die DSB-kraker, beste Thom, beste Pieter, is een ander soort zou. Als “zou” een onzekerheid aanduidt over iets dat in het verleden heeft gespeeld, is dat  “zou” een hulpwerkwoord van modaliteit. Dat zie je bijvoorbeeld in de zin: “Hans Smolders zou geld hebben aangenomen van een aannemer.”

Dat hulpwerkwoord van modaliteit gebruiken we veel in de journalistiek, misschien wel te veel (het is natuurlijk altijd beter als je je feiten wel helemaal bevestigd hebt). Maar de lezer heeft er mee leren leven, hij snapt het en leest er de context bij: “we weten het niet zeker”.

Het zou in de DSB-scoop is een ander beestje. Het is – als ik Onze Taal goed lees – een hulpwerkwoord van tijd, meer althans dat iets anders. Het drukt uit dat, op het moment van schrijven, een gebeurtenis nog moest gaan plaatsvinden. Zoals in de zin: “Hans Smolders zou vannacht geld (gaan) aannemen van een aannemer.”

Uiteraard zit daar ook een onzekerheid in, dat kleeft altijd aan “zou”. Maar het heeft een heel andere lading. Bij de DSB ging het niet om onzekerheid die veroorzaakt werd doordat feiten uit het verleden nu eenmaal niet helemaal gecontroleerd konden worden. Het betrof onzekerheid over feiten die in de toekomst zouden plaatsvinden.

Dit verklaart waarom Broertjes en Meens sommige van hun lezers, waaronder mij, niet kunnen uitleggen dat de Volkskrant een slag om de arm hield. Niet elk “zou” is een voldoende excuus om een verhaal toch te brengen.