Infologica: Wanneer wordt kennis absurd?

We weten, schreef ik in Mediamores, steeds minder van steeds meer. Dankzij internet en andere media die ons met prikkels bestoken is zoveel informatie beschikbaar dat we onze aandacht steeds oppervlakkiger verdelen. Tegelijkertijd weten we steeds meer van steeds minder. Wetenschappers specialiseren zich in al maar specifiekere niches. Beide extremen – minder van meer en meer van minder – neigen naar het absurde. Zo oppervlakkig of zo specialistisch dat dat weten zinloos en betekenisloos wordt.

Het idee fascineert me. Ik stond laatst te praten met een bevriende microbioloog, in het dagelijks leven druk met het seksleven van bacterien, als ik me niet vergis. Alhoewel hij zijn eigen werk allerminst absurd en zinloos vindt, herkent hij het patroon van wat ik hier maar even “infologica” noem, de interne logica van informatie.

Dat patroon, die logica, is ingewikkelder dan we dachten. Kennis en informatie zijn niet alleen maar aan het verdunnen, zoals cultuurpessimisten als Andrew Keen beweren. Kennis verdikt ook; er zijn nu wetenschappers die letterlijk alles weten, maar van bijna niets. Maar de vraag is wat we daaraan hebben zonder overzicht. Hoe brengen we ordening aan?

Kan dat overzicht nog terugkeren in een mens? Is er nog een “homo universalis” – a la Leonardo da Vinci – mogelijk waarin het probleem van deze infologica wordt opgelost? Een man in the middle? Of hebben we een machine en een algoritme nodig om de maximale breedte van informatie in overeenstemming te brengen met de maximale diepte?