Informatiestress: Ik heb internet uit

Dat de wereld aan information overload ten onder gaat, is een mythe. We genereren met z’n allen weliswaar steeds meer data, maar ontwikkelen ondertussen ook de trucs en tools om ermee om te gaan. (deel II)

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Crisis, what crisis?

In Amerika staan 260.000 billboards en verschijnen 11.520 kranten en 11.556 tijdschriften. Er zijn 27.000 videotheken. Er staan 362 miljoen tv’s en 400 miljoen radio’s. Elk jaar worden er 40.000 nieuwe boeken gepubliceerd en elke dag worden er 41 miljoen foto’s genomen. “En jaarlijks vallen er 60 miljard stuks junk mail in onze brievenbussen.”

Dit zei de Amerikaanse communicatiewetenschapper Neil Postman in 1990 om aan te geven dat de informatie-explosie, die al begonnen was toen Gutenberg halverwege de vijftiende eeuw een oude wijnpers ombouwde, ons weinig goeds heeft gebracht. Wat begon als bevrijding ontaardde in chaos. Zei Postman, jaren voordat de informatie-explosie met internet pas echt zou plaatsvinden.

Postman overleed in 2003, en ik weet niet of hij zijn kritiek uit 1990 nog heeft gerelativeerd. Want inmiddels daalt het aantal kranten, gaan videotheken op de fles, klagen uitgevers dat hun e-books worden gekraakt en ontslaan de posterijen duizenden postbestellers. Niet dat we niet nog veel meer informatie zijn gaan maken – dat doen we als dollen -, maar er is meer aan de hand.

Yottabytes

Onmiskenbaar pompen we wereldwijd in een steeds hoger tempo steeds meer data rond, de bits en bytes waarmee we berichten versturen, digitale telefoongesprekken voeren en muziek en filmpjes delen. En ja, we produceren ook meer dan ooit. Nu je geen drukpers of zendmachtiging meer nodig hebt om uitgever te zijn, maken we allemaal “informatie” die op internet gevonden kan worden.

Een stevige zaterdagkrant bevat meer gedrukte informatie dan een zeventiende-eeuwer in een heel leven onder ogen kreeg. Jaarlijks komen er nu wereldwijd een miljoen nieuwe boeken uit. Op internet praten we niet meer over gigabytes, maar over yottabytes. Bij elkaar opgeteld heeft de wereld de afgelopen paar jaar meer informatie voortgebracht dan in de vijfduizend jaar daarvoor, sinds de uitvinding van het schrift dus.

Maar met informatie is het net als met alle andere overvloed: je leert ermee omgaan. Je maakt keuzes, je laat je leiden, en je leert van anderen. Jongeren krijgen het met de paplepel in en passen zich als vanzelf aan. Wie wat ouder is, en internet heeft moeten “leren”, zal wat langer onder de indruk zijn geweest van de overweldigende hoeveelheid informatie die bekeken kán worden – maar alles went. Het gevolg: de meeste informatie op internet wordt door heel weinigen of zelfs niemand gezien.

Google

Jongeren van de Google-generatie, die opgroeiden met internet, heb ik nooit horen klagen over information overload. Wel werd er námens hen geklaagd, door vertegenwoordigers van de generaties vóór hen die als beleidsmakers, onderzoekers of informatiespecialisten een maatschappelijk probleem ontwaarden dat zichzelf al had opgelost voordat de inkt van de beleidsnotitie droog was.

Bijna niemand verdwaalt nog op internet. We hebben Google-alerts en rss-feeds die het nieuws voor ons filteren. We zitten op Hyves of Facebook waar we ons door vrienden laten bijpraten. We gebruiken Wikipedia als we een feitje willen verifiëren. Niemand die nog van slag raakt als een zoekopdracht 738.000 resultaten oplevert; je hebt genoeg aan de eerste tien of twintig, de rest is statistiek.

In 2003 vond 25% van de Amerikanen spam een groot probleem. Vier jaar later was dat percentage gedaald tot 18%. Kennelijk wennen we eraan, of worden de filters beter. We ontwikkelen onze strategieën om met al die informatie te dealen. Dat heeft geleid tot een wat wezenloze paradox: hoewel we meer informatie kunnen vinden dan ooit, beperken we ons tot de websites die we al kenden, we dwalen niet meer verbaasd en worden dus ook minder verrast.

Dat je miljoenen pagina’s kunt bekijken in de Library of Congres, wat fascinerend is, wil al lang niet meer zeggen dat je dat ook doet. Het nieuwe was er snel af. Zoals een tijdje terug een jonge internetondernemer zei: “Ik surf niet meer. Ik heb internet uit.”

De euforie van de eerste internetjaren Рzoals een eerste ruimtewandelaar zich moet voelen Рhebben we al lang ingeruild voor een pragmatische, beetje blas̩ houding: we hoeven niet alles te weten, als we het maar kunnen weten, altijd, overal, onmiddellijk.

Deel 1, Information overload is een mythe

Later deze week: deel 3, de informatiecrisis

Reacties zijn gesloten.