Informatiecrisis: we weten samen te weinig (deel 3)

9 januari 2010 Geen categorie 11

Onze cultuur wordt niet bedreigd door een overdaad aan informatie, maar door een informatiecrisis. We kunnen alles weten, maar te weinig mensen weten tegelijk hetzelfde. En met samen iets weten beginnen burgerschap en democratie.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Crisis, what crisis?

Begon het rond Fortuyn? We hebben een grotere mond, we zeggen waar het op staat, en zijn – zonder dat we het merken – asocialer. Opstandig zijn we, als volk zeg maar, waarbij de overheid en het gezag het moeten ontgelden, maar als het zo uitkomt ook onze buren, als we die tenminste nog kennen.

Als het sneeuwt vegen we de stoep niet schoon. We staan in de bus niet op voor een oudere en snauwen een baliemedewerker af. Sinds Fortuyn en de opstand der burgers lijkt dat niet meer onbeleefd maar een legitieme vorm van assertiviteit. We hebben ons chagrijn omgezet in argwaan en afstand.

Het individualisme van de jaren negentig, zelf al een uitloper van het Ik-tijdperk, is door internet van karakter veranderd. Het begon met de ontzuiling, de wereld werd ruimer en ruimdenkender, het volk verloor zijn bedeesdheid maar kreeg via het net ook de spreekbuis om te zeggen wat het denkt.

Burgerschap

Nu praat de politiek al een jaar of wat over “burgerschap”. Dat kwam van premier Balkenende, die halverwege de jaren nul over normen en waarden begon. Wat je er ook van vindt – ik kan slecht tegen het moralistisch geheven vingertje, en heb niets met de christelijke achtergrond – Balkenende had goed gezien dat burgerschap een issue was.

Welke rol speelt internet daarbij, meer dan als platform voor schreeuwlelijken en echoput van ongenoegen? Als kranten heel langzaam hun rol kwijtraken, kunnen we ons dan nog wel voldoende informeren via andere en nieuwere media? Zijn we op de hoogte? Willen we dat wel zijn, of hebben we genoeg aan gekrabbel op Hyves?

Het probleem van internet is niet dat we te veel of te weinig informatie op ons af krijgen, maar dat we te weinig met voldoende mensen delen. Je kunt daar dat internet niet de schuld van geven, evenmin als je het weer kunt verwijten dat het sneeuwt, of een steen dat die hard is.

Internet leent zich nu eenmaal veel beter voor communicatie in kleine groepen, beweer ik al langer – en het is veel krachtiger onder woorden gebracht door Clay Shirky. Dankzij internet kunnen Amerikaanse heksen, lotgenoten met akelige ziektes en fans van obscure muziek elkaar nu vinden. Ook lijkt me dat er sprake is van democratische vooruitgang nu burgers zich op lokaal niveau dankzij internet efficiënt kunnen inzetten tegen het kappen van bomen in hun straat.

Maar internet is geen massamedium, integendeel: het ondergraaft de positie van massamedia die hun verdienmodel kwijtraken.

The commons

Massamedia – kranten, televisie – hadden in de vorige eeuw een doorslaggevende rol in de democratie doordat ze veel burgers veel lieten weten. Ze waren een bindende factor, wat je verder ook aan kritiek kunt hebben op hun preoccupaties en fouten, verzuild als ze waren.

Internet doet dat niet. Internet is een geweldig platform voor grassroots democratie, voor sociale bewegingen van onderop, het versterkt de positie van het individu – wat we empowerment noemen, de klant aan de macht – maar het doet eerder afbreuk aan burgerschap dan dat het de samenleving als geheel steunt.

Omdat te weinig mensen tegelijk dezelfde informatie delen, treedt een fenomeen op dat verwant is aan the tragedy of the commons. In goed Nederlands: de tragedie van de meent. De vrijheid van het individu, zegt de speltheorie, leidt tot onderbenutting of overexploitatie van een collectief goed. Dat kan een weiland zijn dat overbegraasd wordt als elke boer het onderste uit de kan wil. Of burgerschap, als elke burger de informatie kan krijgen die voor hem of haar het beste is.

Pancake people

We weten steeds minder van steeds meer. We zijn pancake people geworden: ons blikveld is geweldig breed, maar onze belangstelling tamelijk oppervlakkig. We kunnen niet anders, er zitten maar vierentwintig uur in een dag en we gaan niet nog meer tijd aan media besteden dan we al doen, duizend uur per jaar om precies te zijn.

We zijn hard op weg – zie Neil Postman en Aldous Huxleys Brave new world – een triviasamenleving te worden. Vergeven van nutteloze feitjes, zonder diepgang en zonder enige relatie met ons dagelijks leven. Niet dat er iets mis is met infotainment, maar langzamerhand is trivia dominant geworden. Is dat nou een gevolg van het aanbod, dat allengs platter en dommer wordt, of van iets anders?

We missen overzicht. Een coherent begrip van wie we zijn, en waarom. Een helikopterview, zoals dat heet. “We weten niet meer welke informatie relevant is, en welke informatie relevant voor onze levens is”, zei Postman al in 1990. We hebben, zei Postman, geen verweer meer tegen de informatie-overdaad, onze filters deugen niet: “We suffer from a kind of cultural AIDS.”

Mank model

De ironie is dat Postman te hoop liep tegen de massamedia, die nu juist aan invloed verliezen. Hij vreesde de overvloed aan informatie en verlangde terug naar de schaarste van de negentiende eeuw omdat het weinige toen beter was. Met internet keren we terug naar de kleine gemeenschappen van de achttiende eeuw, zij het anders, maar dat model blijkt eveneens mank: het past niet – uiteraard niet – op de geglobaliseerde samenleving van de eenentwintigste eeuw.

In deze eeuw is steeds meer informatie van steeds minder betekenis voor iedereen. Information overload is het probleem niet. In werkelijkheid is sprake van een informatiegat, enigszins vergelijkbaar met het gat in de ozonlaag. Onzichtbaar, en voor elk individu weinig urgent, maar voor het collectief op langere termijn waarschijnlijk een ramp.

[Dit is deel 3 van een serie, De mythe van de information overload. Deel 1 en deel 2 zijn vorige week gepubliceerd. Deel 4 zal gaan over de vraag hoe de crisis te lijf te gaan]

Reacties zijn gesloten.