Stiekem opnemen in Amsterdam

17 januari 2010 Geen categorie 1

Mag je als journalist een gesprek heimelijk opnemen? Over die vraag debatteert de VVOJ maandagavond in Amsterdam. Ik ga luisteren omdat de kwestie raakt aan de ethiek van de journalistiek, en aan de publieke rol die journalisten claimen. Het is bovendien een lastige kwestie omdat techniek en moraal snel veranderen.

Hoe zat het? Een journalist, zo luidt het uitgangspunt, werkt met open vizier. We nemen niet stiekem foto’s en gaan niet under cover, tenzij – en dat is belangrijk – dat middel in verhouding staat tot het doel en andere middelen niet beschikbaar waren. Uit principe werken we transparant.

Met open vizier betekent dat je zegt dat je journalist bent en voor wie je werkt. Ook hoeft er geen twijfel over te bestaan dat je, ook al heb je gezegd dat je voor Radio 1 of Netwerk werkt, een telefonisch interview niet heimelijk kunt opnemen met als doel het op radio- of tv uit te zenden.

Dohmen

Het debat van de VVOJ maandagavond zal over iets anders gaan. De aanleiding is een zaak van NRC-onderzoeksjournalist Joep Dohmen bij de Raad voor de Journalistiek. Dohmen had in een netelig onderzoek een bandopname van een telefonisch interview gemaakt, niet om uit te zenden maar louter en alleen “voor eigen gebruik”, om goed te kunnen citeren, en om achteraf te kunnen bewijzen dat de quotes juist waren.

Dohmen had tijdens dat telefonisch interview wel gezegd dat hij journalist was, maar niet dat hij het gesprek opnam. Dat kwam uit toen de zaak om een andere reden bij de Raad voor de Journalistiek belandde. Dohmen verdedigde zich ter plekke met de opname van zijn gesprek, en verloor zijn zaak omdat de Raad vond dat heimelijk opnemen van gesprekken niet deugt.

Sindsdien zijn de rapen gaar. Onderzoeksjournalisten claimen dat ze hun werk niet kunnen doen als ze niet voor eigen gebruik opnamen mogen maken; die gesprekken zijn al lastig genoeg zonder dat je melding maakt van het opnameapparaat. Nog andere journalisten melden dat dit “heimelijk opnemen” al jaren de normaalste zaak van de wereld is, en zelfs gedoceerd wordt op Scholen voor de Journalistiek.

Digitaal

Ik kan daar maar één argument tegenin brengen – en heb dat eerder gedaan. Ik weet dat we tegenwoordig alles – alles! – opnemen en digitaal bewaren. De mensheid produceert ongelofelijke hoeveelheden bits aan geluidsopnames, foto’s en video. Met al die data gaan we gemiddeld makkelijker om: we laten het sneller zien, maar hechten er ook minder waarde aan.

Wie dertig jaar geleden een opname van een telefoongesprek maakte, deed iets ingewikkelds en spannends. Nu digitaal opnemen bijna een default instelling is, ligt dat anders, in elk geval bij jongeren, bij de digital natives van de internetgeneratie. Ik kan me goed voorstellen dat zij er geen moeite mee zouden hebben als journalisten elk gesprek “voor eigen gebruik” opnemen, zonder het te zeggen. Als dat de norm zou zijn.

Fatsoen

De enige reden waarom ik aarzel in de kwestie-Dohmen is deze. Ik weet ook dat veel journalisten het vanzelfsprekend vinden dat je een gesprek niet helemaal opneemt. Zij houden vast aan het klassieke open vizier en storen zich aan het vreemde gemak waarmee allerlei radiomakers – niet journalisten – stiekem opgenomen gesprekken met BN’ers de ether inslingeren.

Uiteindelijk gaat het mij om de vraag hoe, afgezien van die groep klassieke journalisten, ons publiek reageert. Of de lezer het begrijpt en billijkt als een journalist niet bij wijze van uitzondering maar als norm telefoongesprekken opneemt zonder het te melden. Vindt die lezer dat “netjes” en “fatsoenlijk” – tenenkrommende termen, ik weet het. Maar ze doen er wel degelijk toe.

Het maakt, bedoel ik, voor het publiek wel degelijk uit hoe je als journalist een gesprek vastlegt. Of je  meeschrijft, steno gebruikt of een bandje laat meelopen. Dat voelt nu eenmaal anders, de geinterviewde formuleert anders als hij weet dat zijn gesprek wordt opgenomen. En nee, erg rationeel is dat niet.

Behoedzaam

Journalisten controleren de macht en informeren de burger. Om dat te kunnen doen hebben ze middelen nodig, maar ook het vertrouwen van die burger. De afgelopen twintig jaar heeft de journalistiek op dat vlak eerder terrein verloren dan gewonnen. Dat maakt mij behoedzaam in de kwestie-Dohmen.

Op langere termijn zal dit veranderen. Dan wordt opnemen de norm en stoort zich bijna niemand er meer aan. De vraag is niet – ben ik met Bart Brouwers eens – of de Raad voor de Journalistiek zijn standpunt in de zaak-Dohmen zal wijzigen, maar wanneer, dat wil zeggen: nu of over tien of twintig jaar.

[Ik ben lid van Raad van de Journalistiek, maar was niet direct betrokken bij de zaak-Dohmen. De Raad heeft echter naar aanleiding van de zaak-Dohmen besloten in het openbaar te debatteren over “heimelijk opnemen”. Deze post is een bijdrage aan dat debat]

Reacties zijn gesloten.