Jongeren en de krant: betere burgers?

Als het jongerenonderzoek van Nico Drok en Fifi Schwarz iets heeft opgeleverd, dan moet het de ontmaskering van twee of drie sprookjes zijn. Nee, jongeren willen hun nieuws niet altijd mobiel, voelen niets voor een rol als burgerjournalist en willen door de media graag voor vol worden aangezien. Opzienbarend is dat niet, wel nuttig om nog eens te lezen.

Jongeren, nieuwsmedia & betrokkenheid – vorige week verschenen – onderzoekt de samenhang tussen mediagebruik en “burgerschap” bij jongeren van 15 tot 29 jaar. Kijken ze tv, lezen ze kranten, wat vinden ze van die media en hoe gebruiken ze die in “de maatschappij”? Is er een samenhang tussen nieuwsconsumptie en pakweg vrijwilligerswerk? Word je, met andere woorden, een betere burger van de krant?

Ambitieuze vragen. Met teleurstellende antwoorden. Afgezien van het doorprikken van sprookjes (jongeren willen echt geen jongerenhoekje in de krant, jongeren halen nieuws niet uitsluitend online), draagt het onderzoek van Drok en Schwarz niet heel veel bij aan wat we al wisten of konden vermoeden, dankzij eerdere studies (bv Putnam, SCP, Costera Meijer) naar mediagedrag, tijdbesteding en maatschappelijke betrokkenheid.

Goh

Jongeren, zeggen Drok en Schwarz, kijken meer tv dan dat ze de krant lezen. Hogere opgeleide jongeren lezen vaker een betaalde krant dan lager opgeleide. Om meer jongeren te bereiken, zouden hun kranten hun prijs kunnen verlagen (liefst tot nul), hun formaat kunnen verkleinen en het nieuws overzichtelijker kunnen presenteren. Goh, denk je dan.

De onderzoekers zetten zich af tegen te grove generalisaties en stereotypen. De jongere bestaat niet. Ik wil dat graag geloven, maar blijf toch de term Google-generatie gebruiken als ik de huidige jongeren wil vergelijken met pakweg de generatie-X, of met de babyboomers. Drok en Schwarz vergelijken niets; hun studie is een momentopname, zeggen ze zelf.

Dat kunnen de onderzoekers niet helpen – het is de aard van het onderzoek. In tegenstelling tot de vijfjaarlijkse SCP-studie naar tijdbesteding is dit geen longitudinale studie; er zijn geen gegevens van vijf of tien jaar geleden. Dat hindert de beoordeling van de resultaten, want ik wil toch vooral weten hoe mediagedrag zich ontwikkelt: lezen jongeren nu meer of minder kranten, zijn ze minder maatschappelijk betrokken of meer?

Grazen

We weten het niet. Ook niet na dit onderzoek. Waardoor ik blijf zitten met het ongemakkelijke gevoel – meer is het niet – dat de Google-generatie minder op heeft met de instituties van de democratie dan hun ouders. Mijn indruk is dat ze die ouderwets vinden, onhandig in hun communicatie, en onnodig autoritair. Dat gold, ik weet het, ook voor andere generaties jongeren (notoir: the sixties), maar er is iets meer aan de hand. De specifieke cultuur van internet laat wel degelijk sporen na.

Drok en Schwarz geven een goed en genuanceerd beeld van jongeren die volgens mijn definitie (geboren na 1980) de Google-generatie vormen. Het kan geen kwaad nog eens te lezen dat ze nieuws al “grazend” tot zich nemen, wat Costera Meijer “snacken” noemde, en niet zoals hun ouders als maaltijden (een krant als ontbijt, het journaal als diner, etc). Toch houd ik drie vrij stevige vragen over.

Wat is “maatschappelijke betrokkenheid”? Hoe definieer je die? Drok en Schwarz definiëren “maatschappelijke participatie” aan de hand van zestien indicatoren. Vrijwilligerswerk gedaan, bijvoorbeeeld. Of deelname aan een debat. Als een ondervraagde op een van die indicatoren bevestigend antwoordde, geldt hij als “betrokken”.

Dat is een wel heel lage drempel, te meer omdat niet duidelijk wordt over welke periode we het hebben: waren ze de afgelopen week “actief” of waren ze dat “ooit”?. Het is niet zo raar dat dan uit het onderzoek blijkt dat 78% van de jongeren “op de een of andere manier maatschappelijk actief” is; het doorsturen van een mailtje “over een zaak waarbij je je betrokken voelde” is al genoeg.

Betaalde krant

Het onderzoeksrapport stelt dat een kwart van de jongeren minimaal wekelijks een betaalde krant leest. Dat is een heel hoge score als je je realiseert dat bij nog maar de helft van alle huishoudens in Nederland een betaalde krant wordt bezorgd. Ik vrees dat het cijfer de werkelijkheid niet goed weergeeft. Het suggereert dat 1 op de 4 jongeren een krantenlezer is, maar we vergeten even dat de helft van de ondervraagde jongeren nog thuis woont; de krant is de krant van hun ouders.

De meest wezenlijke vraag is of jongeren bereid zijn te betalen voor hun nieuws, of dat ooit zullen zijn. Ze vinden dat algemeen nieuws (“het laatste nieuws”) gratis moet zijn, maar snappen best dat achtergronden en verdieping door professionele redacties duur zijn om te maken. Des te nijpender de vraag wat ze ervoor over hebben om zulk typisch krantennieuws te krijgen. Die vraag wordt door dit onderzoek niet beantwoord.