Wat moet de journalistiek met de informatiecrisis? (Slot)

Wat moet de journalistiek? Dat is de vraag in dit zesde en laatste deel van een serie over de informatiecrisis. Die reeks begon met de bewering dat information overload een mythe is, en liep uit op de conclusie dat we samen alles kunnen weten, maar te weinig sámen weten. Onze aandacht versnippert, net als de massamedia.

Gretig klampen journalisten zich vast aan zonnig nieuws over hun eigen toekomst, ook als dat nieuws flinterdun is, of apert onwaar. Lees het vakblad Villamedia, en je ziet dat de kritische houding die verslaggevers hanteren bij elk ander nieuws, opzij wordt gezet zodra het om hun eigen lot gaat. De patiënt is ziek en wil horen dat-ie aan de beterende hand is.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Plasterks informatiecrisis: we weten te weinig samen

6: Wat moet de journalistiek?

Mediagebruik jongeren neemt toe’, kopt Villamedia bij een artikeltje over een jongerenonderzoek. Die conclusie klopt misschien, maar is uitgerekend de minst onderbouwde. De onderzoekers vroegen jongeren of ze zelf dáchten dat hun mediagebruik was toegenomen. Wat je verder ook van het onderzoek vindt, het biedt geen gegevens over jongeren door de jaren heen. Nul, nada, nix.

Dat kun je de onderzoekers niet verwijten. Dit jongerenonderzoek was opgezet als momentopname, niet “longitudinaal”. Het toont daarom van alles aan, maar per se geen ontwikkeling. En dus ook niet dat het mediagebruik onder jongeren toeneemt.

Misleidend

Maar ‘meer mediagebruik’ is goed nieuws, net als de kop ‘Jongeren zien krant wel zitten’, welke laatste boven een aankondiging van hetzelfde jongerenonderzoek stond. Zo’n kop is misleidend. De suggestie wordt gewekt dat jongeren in meerderheid dol zijn op kranten en dat de berichten over het tegendeel op een misverstand berusten, of afkomstig zijn van piskijkers en internetfanatici. Maar dat blijkt nergens in het hele onderzoek.

Zulke berichtgeving is tendentieus – je zou er bij elk ander type nieuws chagrijnig van worden. Het is even vooringenomen als dat bericht van de GPD over Franse kranten die hun oplage zien stijgen en frappant genoeg geen website hebben. De suggestie: internet is slecht voor kranten en zonder site zouden die kranten het vast beter hebben gedaan. De ene Franse krant blijkt echter een weekblad, de andere een jongerendagblad. De oplagestijging van beide zegt niets over de toekomst van dagbladen die mikken op een breed, algemeen publiek – pakweg alle andere dagbladen dus.

Hetzelfde patroon bij nieuws over pay walls. Wanneer uitgevers als Murdoch (News Corp) of Montgomery (Mecom) aankondigen dat hun dagbladen achter een betaalhek gaan, laten journalistieke vakbladen elke scepsis varen. Onderzoeken wijzen bij Villamedia steevast uit dat consumenten zullen betalen voor online content, ook als dat maar marginaal waar is of meer kost dan het oplevert. Argwaan slaat hier om in bijna religieuze dankbaarheid.

Haat-liefde

Deze serie begon met het benul dat information overload een mythe is. Dat is zo belangrijk omdat de mythe afleidt van het echte probleem (we weten niet wat we zouden moeten weten). En omdat journalisten zich er achter verstoppen, zoals ze ook van harte wegkruipen achter elke snipper hoopgevend nieuws. Struisvogelen, wordt dat ook wel genoemd.

Net als makelaars en andere informatieprofessionals hebben journalisten een haat-liefde-verhouding met information overload. Ze gruwen van de overdaad aan informatie die op internet wordt rondgepompt, en nog meer van de dubieuze kwaliteit – terecht, trouwens -, maar mogen de overload graag aanroepen om hun eigen bestaan te rechtvaardigen. Leve de overload, wij brengen verlichting. Journalisten zijn immers het filter, en dat – filter failure – was toch stuk?

Het is een misverstand. Journalisten hebben door de jaren heen allerlei functies gehad. Ze vergaren nieuws, selecteren het, verrijken het en vertellen het. Ze geven commentaar, ze duiden en ze onthullen. Maar uitgerekend die ene klassieke functie – die van filter – raken ze nu grotendeels kwijt. Dankzij het net, vinden jongeren, kan dat veel efficiënter zonder journalisten.

LIAR

Ik heb op dit blog vaker beweerd dat de journalistiek een andere rol moet claimen. Die is wel degelijk van belang voor een samenleving die overzicht op het nieuws mist, die de neiging heeft tevreden te zijn met trivia en uit elkaar lijkt te vallen omdat te veel mensen meer met hun eigen besognes besteld zijn dan met een “collectieve agenda”.

De journalistiek moet, zegt mijn LIAR-principe, lokaal nieuws brengen, in geografische of mentale zin (local). Ze moet onderzoeken en tegels lichten (investigate). Naast die twee klassieke beginselen moet ze zich twee typische netwerkgeneratie-waarden eigen maken. Journalistiek moet het nieuws aggregeren, ook als dat van derden komt. En aan dat nieuws een reden geven om het te vertrouwen, een reputation dus.

Dat deze vier kernbegrippen een mix zijn van old fashioned journalism en nieuwlichterij, is geen toeval. Journalistiek en internet kunnen niet zonder elkaar. Ik zou het ene noch het andere willen kwijtraken.

Chagrijnig

Is dit nou een chagrijnig stuk? Ik dacht het niet. Ik ben geen internetgelovige die van het web louter zegeningen verwacht. Wel ben ik eerder optimistisch dan pessimistisch als het om netwerktechnologie en de cultureel-sociologische effecten van netwerken gaat. Ik ontleen dat vertrouwen aan een verbluffend patroon: telkens wanneer nieuwe netwerktechnologie voor problemen zorgt, bleek het netwerk – de mensen en de techniek dus – in staat ook de oplossing te creëren. Die successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, ik weet het, maar ze kleuren mijn optimisme.

Wat wil ik dan wel? Pleiten voor vernieuwing van de journalistiek. Die is noodzakelijk omdat de “oude journalistiek” niet goed genoeg is voor jongere mediaconsumenten. Mij gaat het primair om vernieuwing van de journalistieke uitgangspunten – bijvoorbeeld die van LIAR – maar ik zal niet ontkennen dat technologie een rol speelt.

Vernieuwing van de journalistiek bleek lastig. De laatste paar jaar is het taaiste conservatisme wel weg, maar kijk eens vijftien jaar terug en overzie wat we sinds internet aan tastbare en beklijvende resultaten hebben geboekt, op journalistiek en commercieel gebied. De integratie van de NOS-newsroom, NRC Next, en een hele rij me-too innovaties die het allemaal net niet geworden zijn, van Volkskrantblogs tot camjo’s, van lokale nieuwssites als Haaksbergen.nl tot Marktplaats-concurrent Speurders.nl.

Mentaliteit

Het eerste wat de journalistiek moet doen, is de boel eens lekker laten doortochten. Ramen en deuren open. Jonge mensen naar binnen die internet niet hebben bestudeerd, maar domweg niet beter weten. Jonge plannen, jonge beslissers. Snel en veel besluiten, durven mislukken, en mislukkingen snel de nek omdraaien. Dat is geen heel vernieuwend concept voor vernieuwing – het is standaard.

En om elk misverstand uit te sluiten: als ik het over de journalistiek heb, bedoel ik het ambacht, niet de beroepsgroep, de mogelijkheden, niet uitsluitend de klassieke verdiensten, de ambitie van het vak, niet louter het track record, het streven meer dan de positie van koningin der aarde. Het zal me, kort en goed, een biet zijn wie zich journalist noemt, “amateur” of “professional”. Journalistiek is een daad.

Reacties zijn gesloten.