Wat doen massamedia voor het populisme?

Geert Wilders, Foto Jacco de Boer

De opkomst van populistische bewegingen in Europa, ook de Fortuynrevolte en Wilders’ PVV in Nederland, is ten dele te verklaren uit de macht van de massamedia. Dat beweren de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnell, lees ik bij NRC’s Rob Wijnberg. Die conclusie – uit 2008 – is curieus, want je zou ook kunnen vaststellen dat de massamedia juist veel van hun macht zijn kwijtgeraakt.

Populisten als Wilders noemen zichzelf nooit zo, omdat aan de kwalificatie minder prettige connotaties kleven, net als aan “extreem recht” of “extreem links”. Toch past het label. Een populistische beweging ontstaat uit afkeer van het establishment (“de puinhoop van paars”), en geeft een stem aan wat ook wel “de zwijgende meerderheid” wordt genoemd, aan een groep die voorheen nauwelijks politiek actief was.

Een ander kenmerk van het populisme is de sterke, charismatische, autoritaire leider (bedenk dat de PVV geen partijdemocratie kent). Paradoxaal genoeg gelooft het populisme tegelijkertijd in basisdemocratie: “het volk”, “de man in de straat” moet kunnen meepraten, de volksvertegenwoordigers in Den Haag of Brussel – hoe verder weg, hoe erger – zijn onbetrouwbaar.

Wijnberg schrijft helder over die paradox, en staat maar kort stil bij de rol van de media om de trend van de afgelopen tien jaar te verklaren. Populisme won in Europa aan populariteit door toenemende massa-immigratie, criminaliteit en economische onzekerheid, en – stellen de beide politicologen – door een crisis in de structuur van politieke vertegenwoordiging, een explosief gegroeide invloed van de massamedia op het politieke bestel, en een verregaande personalisering van de politiek.

Massa-immigratie

Omdat ik onderzoek doe naar de wisselwerking tussen media en burgerschap, omdat ik probeer te ontrafelen hoe de democratie wordt beinvloed door de veranderingen in oude en nieuwe media, zijn die laatste twee “oorzaken” van het populisme voor mij het meest interessant. Vooral omdat ik denk dat het wat ingewikkelder is.

Eerst criminaliteit en economische onzekerheid: hebben die nou werkelijk het populisme aangewakkerd? Dat zou ik begrijpen als het om de opkomst van Wilders ging, de afgelopen twee jaar, sinds het losbarsten van de kredietcrisis. Maar tot aan oktober 2008 ging het in economisch opzicht niet zo beroerd, en de eeuw begon nota bene met grotere economische groei dan ooit tevoren (eindigend in de meltdown van de internethype, dat dan weer wel).

Massa-immigratie en de xenofobie die daarvan het gevolg is, lijkt mij een belangrijker verklaring voor het populisme. De politicologen Albertazzi en McDonnell, geciteerd door Wijnberg, kenschetsen het populisme ook als “een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of gevaarlijke ‘ander’, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen”.

Waarmee ik niet gezegd wil hebben, evenmin als Wijnberg denk ik, dat de aanhang van Wilders uitsluitend gedreven wordt door xenofobische sentimenten. Meer dan Fortuyns LPF is de PVV een one issue-beweging – anti-islam -, maar de beweging trekt ook kiezers die Wilders retoriek voor lief nemen omdat ze zich aangetrokken voelen door andere “populistische” kenmerken: het is een tegenbeweging, tegen de gevestigde orde.

Media

Welke rol speelden de media in de opkomst van het Europese populisme? De redenering van Albertazzi en McDonnell doet denken aan de conclusies van het RMO-rapport Medialogica uit 2003. Daarin werd vastgesteld dat pers, publiek en politiek elkaar gevangen houden. De media vergroten incidenten uit en zoeken naar persoonlijke verhalen. Politici gaan daarin mee om de krant te halen, en gezien te worden door de burgers.

Ik twijfel niet aan dat mechanisme van medialogica, maar het dateert niet van 2000. Het lijkt me ouder. De massamedia in Nederland zijn al aan het populariseren sinds de introductie van commerciele televisie in 1989; de invloed daarvan op kwaliteitskranten is merkbaar sinds pakweg midden jaren negentig.

Zou het een aantal jaren hebben geduurd voordat de versimpeling van soundbites en Haags kluitjesvoetbal zich vertaalde in wat we ook wel de kloof tussen burger en politiek zijn gaan noemen? En zou die vertrouwensbreuk – die evenzeer de oude journalistiek geldt als de oude politiek – aan het begin liggen van de populistische bewegingen?

Invloed op de politiek

Ingewikkelder nog lijkt me die andere waarneming van Albertazzi en McDonnell: de opkomst van het populisme is een gevolg van toenemende invloed van de massamedia op het politieke bestel. Dat lijkt raar, omdat de massamedia juist aan maatschappelijke invloed verloren; althans de gedrukte massamedia, of bij radio en tv de kwaliteitsjournalistiek, die minder uitzenduren krijgt dan voorheen (vermoed ik).

Dit vraagt om meer analyse. Is de opkomst van het populisme – en minstens even belangrijk: de groeiende afstand tussen burgers en parlementaire democratie sowieso – misschien te verklaren uit de toenemende popularisering van de pers? Is die popularisering een gevolg van het maatschappelijk ongenoegen, of de oorzaak? Kan een kwaliteitspers dat tij nog keren?

We kunnen tien jaar terugkijken, zoals hiervoor, maar misschien ook tien jaar vooruit. Het Amerikaanse onderzoeksinstituut Pew probeert dat te doen. Het stelde ruim achthonderd vooraanstaande denkers vragen over de toekomst van internet. Enkele daarvan sluiten goed aan bij de vragen die Rob Wijnberg probeert te beantwoorden.

Worden we dom van internet? Worden sociale relaties beter? Veranderen onze relaties ten opzichte van de instituties? De antwoorden staan in een rapport van Pew.

Reacties zijn gesloten.