De boze burger (2) en de logica van Maarten van Rossem

21 maart 2010 Geen categorie 1

Maarten van Rossem, Foto: Joost de Wit ccDat de boze burger meer bang is dan boos, zoals ik beweer, is een generalisatie en een simplificatie. Niet alle burgers zijn boos; met “de boze burger” wordt meestal gedoeld op de aanhang van populistische partijen, in Nederland ongeveer 20% van het electoraat. En niet alle boze burgers zijn altijd bang. Vaak zijn ze inderdaad gewoon ook gewoon boos.

Toch beweer ik wat ik beweer omdat angst en onzekerheid een belangrijker drijfveer zijn voor de boze burger dan boosheid. Populisten als Wilders en Fortuyn willen de macht teruggeven aan het volk; ze keren zich af van het bestaande democratische systeem dat volgens hen in handen is van een corrupte elite. Ze versterken de boosheid jegens het systeem.

Wie wil lezen hoe het populisme in Nederland de afgelopen tien jaar een factor van betekenis is geworden, leze Maarten van Rossem, Waarom is de burger boos?, of het voortreffelijke proefschrift van Hans Wansink over Fortuyn, De erfenis van Fortuyn. Mij gaat het om de vraag wat de media hebben bijgedragen aan de opkomst van Fortuyn en Wilders.

NOS

Van Rossem haalt in zijn boek nogal scherp uit naar het NOS Journaal. Dat zou te kritiekloos zijn meegegaan in de handige publiciteitscampagne van Wilders. Ik weet niet of dat zo is; Van Rossem is wel erg streng. Maar op een ander, fundamenteler punt heeft de historicus wel gelijk. De media bij elkaar opgeteld, het mediasysteem zeg maar, voedde het populisme.

Dat komt niet door de buitensporige aandacht voor Fortuyn of Wilders, waarvan vast sprake is geweest. Het zit ‘m veel meer in het feit dat goed nieuws geen nieuws is, en de media de burger dus per definitie de akelige buitenwereld tonen. Maar omdat nieuwsmedia dat altijd hebben gedaan, en het populisme niet altijd heeft gedijt, moet er een tweede reden zijn.

Sinds nieuwsmedia hun vaste, verzuilde publiek zijn kwijtgeraakt en sinds ze, door de opkomst van commerciële televisie en gratis kranten, feller moeten concurreren om de gunst van lezers en kijkers, zijn ze “populairder” gaan berichten. Ze zijn allemaal een stukje opgeschoven, de een wat meer dan de ander, maar wel alle in dezelfde richting. Naar de lezer toe, zeg maar.

Luisteren

Soms heette het dat de media beter naar de lezer gingen luisteren (waar, zeg ik maar, niks mis mee is, zolang je die lezer niet louter behaagd en naar de mond praat). Na de opkomst van het fortuynisme namen sommige media soms iets te makkelijk standpunten over van Fortuyn en Wilders, hoewel wel die – zeg ik Van Rossem na – kant noch wal raakten. Maar los van die al veel vaker beschreven trends, vraag ik me af of er een meer indirecte relatie bestaat tussen de popularisering van de media en de opkomst van het populisme.

In de marge van zijn betoog zegt Van Rossem in zijn boek ook iets dergelijks. Het is niet dat de media het populisme hebben doelbewust hebben gesteund, maar de medialogica kwam – kun je vaststellen – domweg overeen met die logica van de populisten. Beide appelleren aan angst en onzekerheid, de media omdat nieuws nu eenmaal nieuws is, de populisten omdat dat stemmen oplevert.

Reacties zijn gesloten.