Sergey Brin, ons brein en de rijkdom van ruis

Hoor je vaak: juist in tijden van internet zijn journalisten nodig om orde te scheppen in de informatiechaos. Noem het filteren, noem het duiding. Maar de verbijsterende paradox van de digitale cultuur is dat de Google-generatie geen last lijkt te hebben van die chaos. Ze wennen eraan, leren ermee te dealen en nemen de onzekerheid voor lief.

Een nieuw boek, van de Amerikaanse IT-schrijver Nick Carr, en een lang artikel in Wired, geven – ironie wil ook wat – filters en duiding aan de information overflow. Ik noemde die eerder een mythe, juist omdat ik om me heen zie dat ouderen wel, maar jongeren nauwelijks zuchten onder informatiestress. Zoekt de journalistiek haar toekomst wel in de juiste richting?

In een kalm en breed gedocumenteerd boek laat Carr zien dat we door internet niet alleen minder lezen – of zelfs alleen nog tekst scannen – maar dat netwerktechnologie onze hersenen verandert. We verleren deep reading. We kunnen ons minder goed concentreren omdat we voortdurend bestookt worden met hyperlinks en mailalerts. We worden dommer van Google.

Naar de haaien

The Shallows is geen polemisch, we-gaan-naar-de-haaien cultuurpessimistisch boek als de bestseller The cult of the amateur van Andrew Keen. Maar vrolijk word je er ook niet van. Carr maakt heel aannemelijk dat we de rijkdom van vijf eeuwen boekdrukkunst en vijf millennia schrift aan het inruilen zijn voor de instant sensatie van always on, van information at your fingertips.

Dat het net je hersens aantast is geen overdrijving, maar een wetenschappelijk feit (al is er ook wetenschappelijke kritiek op Carrs boek). Hersenen passen zich eenvoudig aan, en snel. Concentratie wordt minder, langetermijngeheugen hapert. En de oorzaak moet information overflow zijn, de gedurige afleiding waarvan het net – vol met links – is gemaakt.

Te veel ruis. Te weinig geluid. Dat jongeren, zoals ik denk waar te nemen, daar niet om malen, kan tenminste twee dingen betekenen. Carr heeft gelijk: hun hersenen passen zich al aan, maar dat hebben ze zelf niet in de smiezen. Ze weten niet wat ze missen en hun brein vindt als vanzelf een overlevingsstrategie; daar is het brein namelijk ook heel goed in.

Twee: Carr heeft gelijk, maar wat maakt het uit? Who cares? Binnen twee generaties is ruis de norm geworden, en geluid een cultuurgoed uit een verloren tijd. Jammer voor de cultuur van Tolstoi en Shakespeare, van Hofland en Mulisch, maar wat ervoor in de plaats komt kent zijn eigen rijkdom. Ik beweer niet we niets verliezen, maar sluit ook niet uit dat we wat winnen.

Leven met ruis

Jongeren lijken te kunnen leven met ruis. Alsof ze zich, zoals ik eerder schreef in PopUp en Mediamores, hebben aangepast aan een zekere mate van onzekerheid. Minder gehecht aan nagelharde waarheid, meer aan authenticiteit. Soms denk ik dat ze voortdurend aan het kansberekenen zijn: dit nieuws zou best waar kunnen zijn. En als het niet zo is, hoor ik het snel genoeg.

Een van twee oprichters van Google, Sergey Brin, heeft zoals we weten met ‘noisy data’ 15 miljard dollar verdiend. Als je maar genoeg data verzamelt, hoe rommelig die ook is, ongeacht de ruis, kun je er met het juiste algoritme nuttige informatie uit halen. Maar voor Brin is dat paradigma – het staat haaks op de dominante wetenschappelijke aanpak van hypothese en trial en error – meer dan de basis van zijn fortuin.

In Wired deze maand een lang stuk over Brin en zijn Parkinson. Dat wil zeggen, de 36-jarige Brin weet dat hij door een genetische afwijking een 50-50 kans heeft die vooralsnog ongeneeslijke ziekte ooit te krijgen. Sinds hij dat weet, leeft Brin gezonder, maar geeft hij ook tientallen miljoenen dollars aan medische onderzoekers die de oorzaak van Parkinson trachten te achterhalen, en daarmee misschien het geneesmiddel.

Maar Brin doet nog iets. Omdat elke kans er een is, omdat hij het zich kan veroorloven, en omdat hij gelooft in ‘noisy data’, wil hij de wetenschap zelf op zijn kop zetten. De paradigma-shift van hypothese en tests, van een idee dat in een tergend traag proces wordt onderzocht, moet worden aangevuld met data van patiënten die tot voor Googles aanpak zinloos leek.

Verzamel alles wat je kunt vinden. Wat mensen doen, hoe ze leven, wat ze eten en drinken. Hun medische geschiedenis evengoed als hun uitgaanspatronen. Brin steunt een instituut dat tienduizenden vrijwilligers op die manier volgt. Medici gruwen van de aanpak omdat het zo weinig precies is. Maar hee, de data kan bijna in real time ideeën genereren.

Fuzzyness is niet altijd een zegen. Precisie en deep thinking zijn veel waard. Maar zonder een technologisch determinist te willen zijn, geloof ik met Carr dat netwerktechnologie ons en de cultuur verandert. En ik weiger vooralsnog te accepteren dat de gevolgen uitsluitend negatief zullen zijn.

Reacties zijn gesloten.