Journalisten versus de rest

Als blijkt dat mensen dom worden van internet, als Wikipedia de waarheid verdraait of bloggers als lemmingen achter complotten aanhollen, halen journalisten opgelucht adem. Voor de meeste journalisten is internet een welkome bron van informatie – ze googlen zelf ook en Wikipedia staat bij de favorieten – maar verder is internet een valse profeet, een dwaling, een vijfde colonne.

Het besef dat internet geen bui is die overtrekt, geen gril van geeks, is langzamerhand wel ingedaald, ook bij de meeste journalisten die het vak leerden toen Google nog moest worden uitgevonden. Maar telkens wanneer er berichten verschijnen die de imperfectie van internet aantonen, reageren ze alsof ze een weddenschap hebben gewonnen.

Die reflex is niet helemaal onverklaarbaar. Internet is, hoe je het ook bekijkt, voor de klassieke journalistiek een vijandige omgeving, een planeet waar de lucht dunner is, het klimaat guur, en de zwaartekracht niet lijkt te bestaan. Alles wat het bestaan van de pers zo vanzelfsprekend maakte – een trouw publiek, aanzien, de rol van waakhond – wordt op internet in twijfel getrokken.

Niet nodig

De Google-generatie, geboren na 1980 en volwassen geworden met internet, laat keer op keer weten de pers niet nodig te hebben. Ze zoeken het zelf wel uit. Ze hebben niet het gevoel nieuws te missen, en als je ze vertelt dat ze blijven hangen in echoputten zonder tegenstemmen, dat ze niet weten wat ze missen, kijken ze je aan alsof je ze een grondrecht ontzegt. Vrijheid van drukpers is voor hen vooral de vrijheid zich te informeren zoals zij dat willen.

Ten dele is dat uiteraard een generatieconflict, een klassiek geval van vadermoord. Maar er zit ook een politiek-maatschappelijke kant aan. Zoals populisten vinden dat de politiek terug moet worden gegeven aan het volk, vindt een deel van de Google-generatie dat het nieuws moet worden teruggegeven aan de nieuwsconsument. Beide sentimenten zijn anti-elitair, een tikje utopisch en emancipatoir.

Beste jaren

De journalistieke generatie die het nu voor het zeggen heeft, is opgegroeid in de beste jaren van de massamedia, het laatste kwart van de twintigste eeuw. Vooral dagbladen behaalden geweldige rendementen, wat zich vertaalde in hogere salarissen voor journalisten, grotere correspondentennetwerken, prachtig vormgegeven zaterdagbijlagen en kleurenmagazines.

Vrijwel niemand maakte er een woord aan vuil dat die bedrijfswinsten niet te danken waren aan groeiende populariteit van dagbladen. Zeker, sommige kranten zagen hun oplages stijgen; ik werkte zelf bij de Volkskrant toen we daar de 400.000ste abonnee verwelkomden. Maar de totale oplage van Nederlandse kranten bleef gedurende die hoogtijdagen van de pers vrijwel stabiel op 4,5 miljoen betaalde exemplaren, terwijl de bevolking groeide.

Dat het de kranten economisch zo goed ging, had een andere oorzaak. Ze hadden, zegt Clay Shirky, adverteerders in de tang. Wie een groot publiek met een commerciële boodschap wilde bereiken, kon niet om de massamedia – de dagbladen incluis – heen. Zelfs al had je als adverteerder nauwelijks iets te zeggen over waar je advertentie werd afgedrukt, of wanneer, je had geen keus en betaalde wat er werd gevraagd.

Zoals de adverteerder de journalistiek betaalde – en niet omdat Albert Heijn zo graag een correspondent in China wilde -, zo vanzelfsprekend was het ook dat de lezer die pakweg het sportnieuws van het AD op zijn deurmat wilde hebben, er het nieuws uit Peking bij kreeg. Ook dat was, technisch gezien, een signaal dat de markt faalde. Het aanbod dicteerde, niet de vraag.

Weelde

Die weelde is de pers door internet afgenomen. Adverteerders laten de kranten links liggen en gaan met eigen sites of virale campagnes direct naar de consument, net als de overheid trouwens. Dat scheelt de dagbladen, in vergelijking met de omzetten van de jaren negentig honderden miljoenen. Het scheelt ook honderden journalistieke banen bij kranten.

Lezers kunnen zich nu aan gedwongen “bundelverkoop” onttrekken. Wie alleen maar sportnieuws wenst, stelt zelf zijn bundel samen. In de VS wordt dit door Shirky unbundling genoemd.

The idea that someone who is doing a crossword puzzle may also want news about the coup in Honduras or how the Lakers are doing — it doesn’t make any sense. It’s never made any sense, in terms of what the user wants. It’s what — it’s what print is capable of as a bundle.

Medium of choice

Dat journalisten – de optimisten en vernieuwers niet te na gesproken – weinig op hebben met internet, is dus wel enigszins verklaarbaar. Ze worden door nieuwe generaties zelfkazende nieuwsconsumenten aan de kant gezet als arrogant, elitair, vooringenomen en waarschijnlijk overbodig. En het verdienmodel van massamedia wordt aan twee kanten aangevreten.

Het verklaart waarom berichten over de schaduwkanten van de digitale cultuur – over informatiestress, privacyinbreuken en Facebookstudenten die lagere cijfers scoren – meer aandacht krijgen in de pers en in vakbladen als Villa Media, dan verhalen waarin internet wordt geduid als het medium of choice van generaties die binnen tien of twintig jaar dominant zijn.

Liever lezen we dat de Google-generatie dom wordt, dat onze cultuur naar de knoppen gaat van hersenloze dilettanten – wat beide in zekere zin waar is – dan dat we onderzoeken waarom die Google-generatie het zelf heel anders ziet. Want stel je eens voor dat ze zichzelf dom noch hersenloos vinden, maar integendeel slim, betrokken en cultureel geïnteresseerd, zij het niet in “onze” cultuur.

Reacties zijn gesloten.