Bedreigt Hirsch Ballin de persvrijheid – of juist niet?

5 augustus 2010 Geen categorie 0

Na het recht op bronbescherming krijgen journalisten nu ook het recht op undercoverjournalistiek, juicht Jos Verlaan op zijn NRC-blog. In een wetsvoorstel van minister Hirsch Ballin over computercriminaliteit en het stiekem opnemen van gesprekken (“aftappen”) leest hij dat journalisten net als opsporingsambtenaren straks meer mogen dan de gewone burger.

Hoe valt Verlaans euforie te rijmen met de ongezouten kritiek van Thomas Bruning op hetzelfde wetsvoorstel? De algemeen secretaris van de NVJ vindt dat Hirsch Ballin de persvrijheid geweld aan doet. Het aardige is dat zowel de lezing van Verlaan als die van Bruning hout snijdt, juist omdat het wetsvoorstel helemaal niet over de pers gaat.

Eerst de kritiek. Hirsch Ballin wil de bestrijding van computercriminaliteit verstevigen door officieren van justitie de bevoegdheid te geven websites uit de lucht te laten halen als daar onrechtmatige informatie op staat. Daar komt geen rechter-commissaris meer aan te pas. Het OM kan desnoods een snel oplopende dwangsom opleggen.

Bruning en de digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom zien die bevoegdheid als een aantasting van de persvrijheid. Want waar trekt het OM de grens? Het gaat Hirsch Ballin, schrijft de minister in de memorie van toelichting, om evident onrechtmatige informatie als kinderporno. Maar is belediging van de koningin of een bevriend staatshoofd straks ook al ernstig genoeg?

Naaktfoto’s

De NVJ en BoF hebben een punt. Het wetsvoorstel van Hirsch Ballin gaat over computercriminaliteit. Mag je gestolen naaktfoto’s van een tv-presentatrice publiceren op internet of gehackte creditcardnummers verkopen? Niet meer dus. Maar de nieuwe wet zou wel – bedoeld of niet – gevolgen kunnen hebben voor de pers.

Die hoeven niet louter negatief te zijn, denkt NRC-journalist Verlaan. Hij leest in de toelichting dat journalisten meer mogen dan gewone burgers. Wie nu stiekem en telefoongesprek opneemt dat hij zelf met iemand anders voert, is niet strafbaar. In het wetsvoorstel van Hirsch Ballin verandert dat, tenzij het opnemen “noodzakelijk is om misstanden aan de kaak te stellen”.

Dat gaat natuurlijk over journalisten, concludeert Verlaan. Maar welke journalisten? Kan de spreekwoordelijke keukentafelblogger zich ook beroepen op de strafuitsluitingsgrond (“ik was bezig een misstand aan de kaak te stellen”)? Er staat niets over in het wetsvoorstel, maar Verlaan heeft het nagevraagd bij woordvoerder van de minister.

De woordvoerder meldt dat Hirsch Ballin dezelfde criteria zal hanteren als bij de vraag welke journalisten het verschoningsrecht toekomt. Ook die wet is nog niet van kracht, maar in het debat erover is duidelijk geworden dat de minister bij journalisten eerder aan professionele journalisten denkt dan aan de keukentafel – al worden bloggers niet uitgesloten.

Ongelukkig

Blijft over de vraag of de pers van deze nieuwe wet nou beter of slechter wordt. Dat zas pas blijken als het voorstel is bekritiseerd en gereviseerd. Want niet elke formulering is gelukkig gekozen, vooral als je het wetsvoorstel niet leest als computercrimineel of fraude-expert, maar als onderzoeksjournalist.

De bijzondere bevoegdheid voor officieren van justitie informatie van internet te laten halen, is terecht controversieel. Nuttig misschien om de herhaling of het voortduren van een misdrijf tegen te gaan. Maar een te zwaar middel gezien vanuit het perspectief van de persvrijheid – er moet een rechter aan te pas komen.

Complexer ligt het stiekem afluisteren. Het afgelopen jaar was dat bij de Raad voor de Journalistiek een veelbesproken onderwerp, naar aanleiding van een klacht tegen Verlaans NRC-collega Joep Dohmen. Die was tijdens de behandeling van zijn zaak op de proppen gekomen met een telefoonopname, waarmee hij zijn gelijk misschien bewees maar zijn zaak verloor.

Journalisten, vond de Raad, horen met open vizier te handelen. Je zegt dat je journalist bent en neemt geen gesprekken op zonder dat aan te kondigen. Gek genoeg vinden de meeste journalisten die norm prima als het om een face to face gesprek gaat (“dan verstop je je recorder niet”), maar is het heimelijk opnemen van telefoongesprekken in hun ogen veel minder onfatsoenlijk.

Onderzoeksjournalisten hebben ook een groot belang. Bronnen in lastige zaken slaan dicht als je zegt dat je het gesprek opneemt. Toch is dat opnemen soms heel verstandig, is het niet om goed te kunnen citeren, dan wel als verzekering tegen bronnen die – ondersteund met claims van advocaten – beweren dat ze nooit hebben gezegd wat in de krant staat.

Vertrouwelijk

Anders dan hier en daar wordt gesuggereerd, heeft Hirsch Ballin het niet over deze journalistieke praktijk. Het wetsvoorstel gaat over het “wederrechtelijk” opnemen van “vertrouwelijke” communicatie. Als een journalist een bron telefonisch inverviewt en zich bekend maakt als journalist, is van vertrouwelijkheid geen sprake meer, lijkt me, en wat er wederrechtelijk aan kan zijn ontgaat me.

Even ongemakkelijk voelt de zinsnede in een toelichting waarin gesteld wordt dat het stiekem opnemen een probleem is omdat het zo makkelijk is die opnames via internet te verspreiden. Is Hirsch Ballin nu bezorgd over het heimelijk opnemen, of alleen wanneer die opnames in de openbaarheid komen? En wat verstaan we onder “verspreiden”: is dat een audiofile op internet, of valt een geschreven samenvatting er ook onder?

NRC’s Verlaan ziet goed dat het wetsvoorstel vooral mogelijke effecten heeft voor die nog spannender journalistieke praktijk, het undercover werk. Elke journalist met een verborgen camera of microfoon (zie Peter R. de Vries voor je) heeft nu een probleem, tenzij hij goed heeft afgewogen of het belang van de onthulling zwaarder weegt dan de privacy van de bron.

Raad

Zonder de pers met zoveel worden te noemen, laat staan te vermelden wat hij onder die pers verstaat, volgt Hirsch Ballin feitelijk de redenering die de Raad voor de Journalistiek ook al jaren volgt. Undercover journalistiek is alleen in bijzondere gevallen toegestaan, en alleen als hetzelfde doel niet met andere middelen kon worden bereikt.

Anders dan Verlaan, die blij is met het bijzondere recht voor journalisten, heb ik het niet zo op dit wetsvoorstel. Het geeft het OM machtsmiddelen die te ver gaan, en verbiedt iets – het onaangekondigd opnemen van gesprekken – wat met name bij jongere generaties de gewoonste zaak van de wereld is, bijna een soort cultuurgoed.

Bovendien nemen veel journalisten routinematig telefoongesprekken op, ook als het niet om de onthulling van misstanden gaat, louter om zorgvuldig te kunnen citeren. Dat kondigen ze niet expliciet aan, omdat ze er geen kwaad in zien; alleen zij zelf horen de opname ooit terug. Je kunt daar je morele bezwaren tegen hebben, maar de norm in de samenleving is onmiskenbaar aan het schuiven.

Het wetsvoorstel van Hirsch Ballin trekt, hoe je het wendt of keert, undercoverjournalistiek in het strafrecht – en dat lijkt me meer dan de bedoeling was. Wat bedoeld en te rechtvaardigen was als bestrijding van computercriminaliteit loopt uit op het beperken van persvrijheid. Anders dan Verlaan denkt wordt dat er niet beter op met die strafuitsluitingsgrond voor journalisten, want wie zal straks bepalen of een misstand ernstig genoeg is, en wie of iemand zich journalist mag noemen?