Telefoongesprekken opnemen moet wel, zegt Jens van den Brink

Nieuw argument in de slepende discussie over de vraag of journalisten heimelijk een telefonisch interview mogen opnemen. De advocaat Jens van den Brink, een van de beste mediajuristen die ik ken, stelt dat journalisten dat niet alleen mogen maar wel moeten omdat de Nederlandse rechtspraak eist dat citaten letterlijk worden weergegeven. “Dat kan eigenlijk alleen als je het gesprek opneemt”, zegt Van den Brink in een reactie op een post van Netkwesties.

Los van de vraag of stiekem opnemen moet mogen, en los van het wetsvoorstel waarmee minister Hirsch Ballin het wil verbieden, stel ik vast dat Van den Brink er naast zit. Als opnemen van gesprekken werkelijk een wettelijke eis zou zijn, zouden kranten er in Nederland heel anders uitzien. Ik durf de stelling aan dat vrijwel geen enkel citaat in kranten helemaal letterlijk is, zonder dat de strekking eronder lijdt. Journalisten voegen samen, laten weg, en maken lopende zinnen van haperende spreektaal, zonder dat daar ooit een rechter over valt.

Niet zonder reden verwijst Van den Brink naar een bewijs uit het ongerijmde: de zaak Huibregtsen versus Van Wissen. Journalist Van Wissen schreef op dat de NOC-voorzitter kroonprins en IOC-lid Willem-Alexander een ‘judas’ had genoemd. Nadat Huibregtsen claimde dat hij dat nooit had gezegd, liet Van Wissen zijn nachtelijke krabbels zien. De rechter zag het woord ‘judas’ en gaf Huibregtsen op dat punt ongelijk.

De Volkskrant, waarvoor Van Wissen toen werkte (en ik ook trouwens), verloor de zaak tegen Huibregtsen – gaat Van den Brink verder – omdat de journalist Huibregtsen nog meer lelijke dingen had laten zeggen over de kroonprins die niet vastlagen in zijn aantekeningen. Als Van Wissen het gesprek had opgenomen, was dat nooit gebeurd, zegt Van den Brink.

Ongerijmd aan deze redenering is dat de rechter met deze uitspraak juist wel genoegen nam met aantekeningen, in plaats van een opname. Anders was Van Wissen ook wel terecht gewezen voor het gebruik van het woord ‘judas’. Als je uit de roemruchte Huibregtsen-zaak iets kunt afleiden, dan het tegenovergestelde van wat Van den Brink zegt: opnemen is niet nodig, zolang je de achterkant van een bankafschrift onder handbereik hebt.

Zoals gezegd: dit staat los van mijn opvattingen over de het heimelijk opnemen en het wetsvoorstel van Hirsch Ballin. Over dat opnemen heb ik eerder beweerd dat een flink deel van het publiek er grote bezwaren tegen heeft als journalisten zonder het te zeggen telefonische interviews opnemen. Met dat sentiment moeten journalisten rekening houden, al kunnen er goede redenen zijn gesprekken in uitzonderlijke gevallen op te nemen.

Het wetsvoorstel van Hirsch Ballin gaat naar mijn mening veel te ver. Het trekt de journalistieke praktijk volkomen onnodig in het strafrecht, en miskent dat een ander, jonger en groeiend deel van de samenleving helemaal geen problemen heeft met het opnemen van wat dan ook.

Reacties zijn gesloten.