De journalistiek sanctioneren is een zwaktebod

20 september 2010 Geen categorie 0

Komt een man bij de makelaar. Of een vrouw bij de dokter. Of een lezer bij de krant. De man, de vrouw en de lezer weten alles al. Denken ze. In elk geval weten ze alles wat vroeger (“Kleedt u zich maar uit, mevrouw”) alleen de specialist wist. Onder hun arm hebben ze nu een ordner met zoekresultaten van Google en het gisteren nog bijgewerkte lemma van Wikipedia. Over hun kwaal. Hun huis. Hun nieuws. “Doet u mij die pil maar.”

Niets beschrijft beter hoe dankzij internet de machtsverhouding is veranderd tussen de consument en de kenniswerker of informatiespecialist. Wat voorheen ondoorgrondelijk was, is nu gemeengoed. Hele industrieën raken ervan ontregeld. Denk ook aan reisbureaus, relatiebemiddelaars of vacaturekranten. De deskundigen die ooit onmisbaar waren, hebben nu geen andere keuze meer dan betere specialisten te worden.

De huisarts moet een betere arts worden. De makelaar moet meer makelen. De reisadviseur moet meer te bieden hebben dan het goedkoopste vliegticket (“U denkt dat het goedkoper kan? Gosj, wat aardig…”). Sommige specialisten hebben het daarbij iets minder lastig dan andere. Net als de notaris heeft de arts een beschermd beroep. Hij mag iets wat de patiënt niet mag, medicijnen voorschrijven bijvoorbeeld.

Journalisten hebben nog meer te stellen met mondige burgers dan makelaars of artsen. Wie zelf zijn huis verkoopt, beseft dat hij een risico loopt dat hem duur kan komen te staan. Met nieuws loopt dat wel los. Het ergste dat je zal overkomen als je besluit je lot in eigen hand te nemen, is dat je iets mist, of het nieuws wat later krijgt. Op nerveuze beurshandelaren na kan bijna iedereen daar best mee leven.

Meer nog dan andere informatietussenpersonen moeten journalisten – ook al geen beschermd beroep – waarde toevoegen aan het nieuws. Dat ziet Jo Bardoel in zijn vorige week uitgesproken oratie als hoogleraar in Nijmegen, goed. Ze moeten – in mijn eigen termen – beter nieuws gaan brengen, betere verhalen gaan vertellen en die beter gaan vertellen.

Wat is van waarde?

Maar wat is dat? Wat is van waarde? Het simpele antwoord is dat journalisten minder tijd en ruimte moeten besteden aan het bijna 1-op-1 doorgeven van gemeentelijke bulletins, politieberichten of perscommuniqués van bedrijven. En dat ze dus meer onderzoek moeten doen. Lastige vragen stellen. Grotere verbanden ontrafelen. Netwerken doorgronden. En zich in het algemeen gedragen, zoals Mark Deuze schetst, als a pain in the ass.

Waar journalisten twintig jaar geleden nog konden volstaan met het nieuws van gisteren, moeten ze nu het nieuws van morgen brengen – want het nieuws van vandaag heeft de lezer zelf al gevonden. Wie van waarde wil zijn, kiest welk nieuws echt belangrijk is, geeft dat nieuws reliëf door het van achtergrond en commentaar te voorzien. Beide geven de journalistiek smoel, koers, ponem.

Journalistiek is een moeilijker vak geworden dan het was. Goed kijken en luisteren, en daar wat aardig geformuleerde zinnen van bakken, is niet langer genoeg. Goed denken, daar draait het om. Het kan niet anders of aan journalisten worden hogere professionele eisen gesteld. Terecht pleit Bardoel daarvoor – maar hoe zou hij anders kunnen? Je wordt geen hoogleraar door je eigen overbodigheid per oratie te verdedigen.

De paradox van Bardoel

Terecht dus pleit Bardoel voor professionalisering van de journalistiek, maar zijn betoog wordt wat minder duidelijk als hij hardop begint na te denken over wat dat betekent voor de afbakening van het vak. Bardoel spreekt van een paradox, wat in dit geval, vrees ik, betekent dat hij het zelf ook niet helemaal kan rijmen.

“De eigen opdracht en werkwijze [van de journalistiek] moeten beter worden geëxpliciteerd en wellicht ook meer gesanctioneerd worden.” Zei Bardoel.

Met dat expliciteren is niks mis, natuurlijk. Het zit ‘m in dat sanctioneren – dat klinkt, denken veel journalisten, naar goedkeuren en bestraffen, en al bijna naar tuchtrechtspraak en persbreidel. Alsof hij van zijn eigen gedachte schrikt, haast de Nijmeegse hoogleraar zich te verklaren dat de journalistiek uiteraard een open vak moet blijven. Hij bevindt zich op glibberig terrein en weet dat.

Net als veel journalisten, net als de NVJ, worstelt Bardoel met de vraag hoe je de journalistiek beter verkoopt, duidelijker als ‘merk’ laat afsteken tegen het legertje van beunhazen en amateurs op internet, zonder het vak dicht te timmeren – want dat druist in tegen de vrijheid van meningsuiting. Journalisten willen bijzonder zijn, verlangen privileges als het recht op bronbescherming, maar voelen weinig voor het regime van toezicht en sanctionering dat daarbij hoort.

Speel het op de man

Bij lastige onderwerpen als bronbescherming proberen overheid en journalistiek telkens tussen beide klippen door te laveren. Dat lukt vrij aardig. Professionele journalisten hebben privileges die amateurs niet hebben, terwijl ze de politiek op afstand weten te houden. Toch komt de principiële keuze wel steeds dichterbij, niet in de laatste plaats door de oratie van Bardoel. Kiezen we voor afbakening van het vak, of voor openheid.

Ik hou vast aan het laatste, vooral omdat het eerste me een zwaktebod lijkt. Dat berust op een pragmatische afweging. Wie de journalistiek dichttimmert, snapt de economische wetten van het open mediaveld niet. Het is slechte reclame. De klant zal het niet pikken. Het is, bedoel ik maar, alsof de huisarts zijn patiënt verbiedt ooit nog haar eigen kwaal te googlen. “En anders zoekt u maar een andere huisarts.” Reken maar dat ze dat doet.

Bardoel legt in zijn betoog niet uit wat hij met dat sanctioneren bedoelt, maar ik kan me niet goed voorstellen dat hij terug wil naar de tuchtrechtspraak van voor de jaren zestig. Bovendien is het niet nodig dat de journalistiek zich op hoge toon afzet tegen amateurs. Journalisten moeten zich wel onderscheiden, maar in daden, niet in slogans.

Terecht noteert Bardoel dat een scherper journalistiek profiel minder dan voorheen samenhangt met het merk van krant of omroep. Omdat het nieuws los verkrijgbaar is, en niet meer per se gebundeld moet worden verspreid, wordt het van steeds meer belang individuele auteurs als merken te ‘branden’, en losse verhalen te verkopen.

Speel het op de man, zou ik zeggen. Probeer niet het vak te pluggen, en ook niet langer in de eerste plaats de klassieke mediamerken (de krant of het programma), maar het product, de auteur en zijn verhalen.