Leve de laatste Papoea – hoe journalism studies de verkeerde vragen stelt

Meer dan door iets anders is de journalistiek de laatste tien jaar geobsedeerd door één vraag. Hoe houden we onszelf in leven? Hoe redden we de krant? Hoe financieren we de journalistiek nu steeds meer mensen vinden dat nieuws niets hoeft te kosten? Langzaam krijgen we haast. Want hoe langer het duurt voordat we een antwoord hebben gevonden, hoe dieper de crisis.

Zo geobsedeerd als de pers is met haar eigen overleven, zo aarzelend zoekt ze een antwoord. De benoemingen van Rob Wijnberg (1982) en Ernst-Jan Pfauth (1986) tot hoofdredacteur en internetstrateeg bij NRC Next zijn prachtige voorbeelden van praktische innovatie (laat de nieuwe generatie de media van nieuwe generaties ontwikkelen). Maar vaker klopt het beeld van het konijn en de koplampen.

Het publieke vertrouwen in de media neemt af. De politiek verwijt haar misbruik van macht en bias. Het verongelijkte deel van de samenleving schaart de pers met één grote zwaai bij “de linkse kerk” die niet weet wat er leeft “onder de mensen”. Betaalde kranten verliezen in tien jaar tijd een kwart van hun publiek, en een kwart van hun journalisten, en straks gaat ook het mes in de publieke omroep.

Maar de crisis is ironisch, want goedbeschouwd gaat het met de pers ook beter dan ooit. We teren nog op de grootste bedrijfswinsten ever, hebben meer glossy’s dan ooit, meer journalisten (15duizend), meer burgers die het erbij doen, meer studenten die het willen worden, meer beroeps- en academische opleidingen, meer hoogleraren (vier) en uiteraard doen we meer onderzoek dan ooit naar journalistiek.

Verkeerde vragen

Uit de inventarisatie van Peter Vasterman en Kees Brants in het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap blijkt dat dat onderzoek aan dezelfde kwaal lijdt als de journalistiek zelf. Liever houdt het zich bezig met het verleden (pakweg de VARA) dan met de toekomst van de pers. Het kijkt meer naar de inhoud van het nieuws, dan naar de invloed van technologie. Vaker gaat onderzoek over het vak dan over de consument, die denkt dat-ie best zonder journalisten kan.

Net als de journalistiek stelt journalism studies – zoals het vakgebied wordt genoemd – zichzelf de verkeerde vragen. Daar zijn drie verklaringen voor. Overmoed, onwil en misverstand.

Volgens de commissie-Brinkman is de gemiddelde Nederlandse krant in 2013 structureel verliesgevend. Maar zodra de oplagen opveren, deinzen we terug voor de term crisis. Liever spreken we van “transitie” en “uitdaging”, de eufemismen van een manager – Pieter Broertjes in dit geval – die probeert de moed erin te houden.

Optimisme, waarschuwde een vriendin, is “een morele plicht”. Gelijk had ze, zonder optimisme overleven we vandaag al niet, maar wie zijn ogen sluit voor de realiteit van overmorgen, steekt zijn kop in het zand.

Crisis – what crisis?

Verkeert de journalistiek in een crisis? Niet op de korte, maar wel op de lange termijn. Niet bij het bestaande businessmodel (dat staat als een huis), wel bij het nieuwe (dat er niet is). Niet als het gaat om de huidige competenties van journalisten (ze zijn professioneler dan ooit), wel als we nadenken over de toekomstige. Niet bij deze generatie, wel bij de volgende.

De crisis is een aangekondigde crisis. Daardoor is het probleem groter voor het mediamanagement dan voor journalisten zelf (ja, ik trek me dat elke dag aan). Klemt het meer bij innovatie dan bij het nieuws van vandaag. Meer bij onderzoek dan bij routine. En: nog meer bij opleidingen en wetenschap dan bij de journalistiek zelf.

Goedbedoelde overmoed innoveert niet lekker, net als bolle paniek. En net als het conservatisme dat journalisten delen met pakweg priesters: de wens het vak te behouden komt voort uit passie, liefde en roeping, uit een opdracht, een hogere missie, The Fourth Estate nietwaar. Zo min als een priester kan accepteren dat God dood is, zo min wil een journalist horen dat zijn krant stervende is. Dat heet onwil.

De laatste Papoea

Met priesters delen journalisten ook een afkeer van het aardse slijk. Ze houden zich liever verre van “de markt”; voor het verkopen van de krant hebben we ander volk in huis, nietwaar. Vergelijkbaar daarmee is de wetenschapper die vindt dat hij het probleem van de journalistiek niet moet oplossen, maar beschrijven.

Als Gerard Smit, docent filosofie en journalistiek aan de Hogeschool Utrecht, beweert dat de wetenschap “toch ook het stervensproces van de journalistiek (moet) kunnen beschrijven”, heeft-ie een academisch gelijk. Smit bestudeert liever de laatste Papoea dan ‘m te redden. Dat lijkt me geweldig legitiem, zolang voldoende andere onderzoekers het lef hebben vooruit te kijken. En het tegendeel is het geval, blijkt uit de inventarisatie van Vasterman en Brandts.

Anders dan Smit twijfel ik er geen moment aan dat journalism studies moet zoeken naar een uitweg voor de journalistiek, dat het zelfs de hoofdvraag zou moeten zijn, de vraag waaraan alle andere vragen worden afgemeten, de maat der dingen, doel, missie en opdracht van de journalistieke wetenschap, zodat we Gerard Smit kunnen vragen: “Wat heb jij vandaag gedaan om de journalistiek te redden?”

Systeempers

Journalism studies mag zich daarbij best beperken. Niet de hele pers hoeft gered. Vrouwen en kinderen eerst, zou ik zeggen. Eerst de “systeempers”, dat deel van de journalistiek dat onmisbaar is voor de democratie, dat informeert en controleert en agendeert en de burger laat meepraten. De entertainmentpers redt zichzelf wel, net als de sportpers, en driekwart van de human interest en het columnisme.

Naast dit misverstand – welke pers is onmisbaar? – is er dat nog grotere: waar gaan we eigenlijk heen? In meer dan wat verwarrende steekwoorden is het nog zelden beschreven. De journalistiek beweegt van massamedia naar niches, van aanbod naar vraag, van analoog naar digitaal, van drukpers naar databank, van mono- naar multimediaal, van keteneigenaar naar specialist, van nieuws naar achtergrond.

Hoe redden we de journalistiek, is een bizar complexe vraag. Feit is dat de pers zelf, af en toe een uitzondering daargelaten, niet is staat is tot radicale vernieuwing. Dat lukt wat beter bij Nu.nl dan bij dvhn.nl, gaat gemakkelijker bij de VPRO dan bij de TROS, gebeurt meer bij Next dan bij NRC – maar alles opgeteld innoveren we te weinig en te langzaam.

Jongeren weten het beter

De journalistiek heeft de distantie en wetenschappelijke methode van journalism studies nodig om haar lot te overdenken. Dat vereist wel dat onderzoekers minder achteruit dan vooruit kijken. De journalistieke wetenschap, voor een aanzienlijk voortgekomen uit het vak zelf, is te veel blijven hangen bij de dagelijkse praktijk, ze is te volgzaam (om niet te zeggen: dociel) en sleurt te weinig.

Hoe organiseren we dat journalism studies voorop gaat lopen? Door de juiste vragen te stellen, te beginnen met de meest dwingende: hoe houden we de journalistiek betaalbaar, hoe financieren we de “systeempers”? Die vraag moet niet worden gesteld aan de huidige generatie journalisten, uitgevers en wetenschappers. Ze moet zelfs niet dóór hen worden gesteld.

Wat mij betreft dagen we jongeren uit. Zoals Next snapt dat je een nieuwe generatie journalistieke leiders nodig hebt, zou de wetenschap moeten begrijpen dat een nieuwe generatie digital native onderzoekers – die technologie niet ziet als probleem, maar als oplossing, voor wat dan ook – nieuwe vragen gaat stellen. Bijvoorbeeld: wat zou jij doen om als journalist voor jouw generatiegenoten van betekenis te blijven?

Reacties zijn gesloten.