Julian Assange als nar die zegt wat we niet willen weten

Is Julian Assange een held of een schelm? Is hij de Robin Hood van het vrije woord of een gevaarlijke anarchist die nietsontziend de macht tracht te ontluisteren? Worden we – na een pijnlijke overgangsfase – van Wikileaks uiteindelijk beter en wijzer of breekt Assange het laatste restje vertrouwen af dat we nog in elkaar dachten te hebben?

Om eerlijk te zijn: voor mij is Assange vooral een goed verhaal. Ik ben journalist en journalisten kijken zo: beroepsdeformatie. Toch zal ik niet de enige zijn die bij artikelen van Wikileaks – de diplomatieke schandalen – af en toe zijn schouders ophaalt, maar bij artikelen over Wikileaks op het puntje van zijn stoel zit.

Het verhaal over Julian Assange is fascinerend. Een hacker die plotseling wereldwijd op de covers staat. Een vroeg-grijze zonderling die het machtigste land ter wereld in verlegenheid brengt. Het is een bloedstollende spionageroman. Een samenzwering, een man op de vlucht, geheime documenten, versleutelde data, computernetwerken, chantage, schandalen, corrupte diplomaten.

Meer een roman van John le Carré dan van Ian Fleming trouwens, meer George Smiley dan James Bond. Omdat het verhaal van Julian Assange complex is en gelaagd, omdat het meer is dan je op het eerste gezicht denkt. En dat is maar goed ook, want bij Cablegate zit het precies andersom: veel rook, klein vuur.

Dat diplomaten elkaar niet de hele waarheid vertellen maar bij een corrupt bewind soms de andere kant op kijken, verrast me niet echt. Dat China bezorgd is over Noord-Korea, viel te verwachten. Dat Wouter Bos de sleutel in handen had van een kabinetsbeslissing over Afghanistan, zal ook bij het State Department niet met rode oortjes gelezen zijn. Dat Poetin maffiabanden heeft en Desi Bouterse een drugsbaron is – kom op zeg.

Elk verhaal van Le Carré gaat over veel meer dan spionage. De Britse oud-spion schrijft al een leven lang in bijna al zijn boeken – maar vooral in A Perfect Spy, zijn meest autobiografische en beste roman – over het schrijven zelf, over de tweespalt tussen feit en fictie, over de esthetica van het bedrog.

Precies zo lees ik verhalen over Julian Assange. Hij heeft meer blootgelegd dan de pekelzonden van Amerikaanse diplomaten. Hij onthult niet alleen wat dirty little secrets, maar toont ook aan hoe verkrampt moderne samenlevingen omgaan met geheimen, en hoe snel dat aan het veranderen is. Het is als met seks in de jaren zestig: het ene moment is het onbespreekbaar, en het volgende lijken we ons de godganse dag met niets anders bezig te houden. Gisteren deed je er nog besmuikt over, vandaag sta je in je blote kont op de Grote Markt.

Wikileaks vertelt ons vrijwel niets wat we niet zelf hadden kunnen bedenken. Toch zijn we er al maandenlang mee besteld. Dat komt uiteraard doordat die honderden journalisten nog hopen op een nagelharde onthulling. Maar als het stof van die scoops is gaan liggen, zal blijken dat Wikileaks ons blijvend bezig houdt omdat Assange ons – zonder dat zelf te willen, zonder dat hij het ten volle beseft – dingen vertelt die we niet willen weten.

Assange houdt ons een spiegel voor. Hij vertelt ons wie wij, aan het begin van de 21ste eeuw, zijn geworden. Wat van Wikileaks blijft hangen, als het stof is neergedaald, is het ongemak en de bijna collectieve gene.

“Zo niet bedoeld”, zegt de diplomaat. “Daar spreken we niet openlijk over”, zegt de regeringsleider. Niets is wat het lijkt, zegt de criticus. En de topambtenaar vraagt zich af wat genanter is: betrapt worden op vuil spel – een liquidatieadviesje hier, een omgekocht bewind daar –, of niet eens de moeite van het noemen waard zijn?

Julian Assange is de nar aan het hof van de postmoderne mens.

Taboes

Is Assange een heilige of een schurk?

Laten we even voorbij de hype kijken. Dat diplomatieke gedonder is soms interessant, maar mij gaat het nu om iets anders. Nog maar dertig of veertig jaar geleden waren we, als samenleving, beter in zwijgen dan vertellen. Taboes bestonden nog: de gek in de familie, het vreemd gaan van de burgemeester, het klapwiekende Kamerlid, het seksloze huwelijk, de pedofilie van priesters, een openlijke zucht naar geld en macht, het egoïsme als drijfveer, de onmacht van goede bedoelingen, de stiekeme hulp aan stervenden.

Nu praten we bijna openlijk over bijna alles. We bewegen ons van een gesloten naar een transparante samenleving. En we hebben lang gedacht dat dat een zegen was. Hoe dat zo kwam? Ik hou het op een wisselwerking van toenemende welvaart, technologische vernieuwing en een tikje doorgeschoten individualisme. De burger is ontzuild en heeft zich geëmancipeerd, van gedwee stemvee tot zelfbewuste, soms hufterige consument. En sinds hij op internet kan zeggen wat hij wil – en de illusie heeft dat er wordt geluisterd – zegt hij wat hij denkt.

Allemaal niks mis mee. Maar er zijn wat paradoxen en valkuilen. Natuurlijk kijken we nog met vijf miljoen mensen naar Boer zoekt vrouw, en begraven we een volkszanger in een stadion. Maar dat neemt niet weg dat massamedia gemiddeld genomen krimpen. We kijken niet meer elke avond met zijn allen naar dezelfde programma’s, we lezen niet meer allemaal een krant. We kijken naar ons eigen YouTube-kanaal en pikken het nieuws op via onze eigen Twitterfeed.

Massamedia maken langzaam plaats voor kleinschaliger, meer persoonlijker media die niet meer over alles gaan, maar over iets. We bewegen ons van een massasamenleving naar een wereld van niches. Dat wordt ontbundeling genoemd. En onze omgang met media, en dus met elkaar, zal nooit meer zijn wat ze was.

We zijn zoveel uren in de weer met Facebook en Twitter, YouTube en Hyves, dat we veel minder tijd over houden voor oude media. Begrijp me goed: ik klaag niet, ik stel slechts vast dat de tijden van het verzuilde massapubliek voorbij gaan. Daarvoor in de plaats krijgen we zwermen van netwerkjes, die even rap verdwijnen als ze zijn ontstaan. De nodes van zo’n netwerk zijn niet loyaal aan een merk, maar wel buitengewoon gul tegenover elkaar. Ze laten zien wie ze zijn, maar nooit helemaal, en nooit aan iedereen. Moderne netwerken, zegt de Brits-Poolse socioloog Sygmunt Bauman, zijn boven alles vluchtig. The liquid society, noemt Bauman dat.

In een wereld van kleine groepen ontbreekt centrale sturing – je kunt internet niet voor de rechter dagen. Internet is een zwerm, geen optocht. Daarom ontbreekt ook een democratisch ideaal, een overkoepelend groot verhaal – behalve dan dat alles moet kunnen.

Vroeger – toen de wereld nog heel was – had je het publieke domein naast een territorium dat privé was. Na de versplintering van de massa is daar iets tussenin gekomen: een voortdurend schiftend semi-openbaar domein, waarbij niemand precies weet wat nog privé en wat publiek.

Dat leidt tot vreemde misverstanden en koddige wetgeving: mogen foto’s van een schoolfeest online, hoe lang hou ik last van een filmpje over een dronken afstudeerfeest, hoeveel is privacy waard als je alles over mij kunt vinden?
Het lijkt alsof we alles en plein public doen. Alsof we online copuleren, baren, vechten, pesten en sterven, en ondertussen elk taboe slechten – een beetje nonchalant, zoals je een vlieg van je afslaat.

Het laatste taboe – zegt de postmoderne nar – is het taboe zelf. Onze behoefte aan zwijgen. Als alles openbaar wordt, en we allemaal bekende Nederlanders zijn, is er geen plaats meer voor geheimen.

Pers

Is Julian Assange een journalist, of een klokkenluider?

Dat laatste in elk geval niet. De klokkenluiders zijn wij, zodra we in die positie komen. En we gebruiken Wikileaks om ons hart te luchten, te doen wat goed is, in het vertrouwen dat die site ons niet verlinkt en het verhaal doorgeeft.
Vroeger liepen klokkenluiders naar de media. Het zegt veel over de oude pers dat geheimen nu bij Wikileaks worden onthuld, en niet bij The New York Times. De Amerikaanse hoogleraar Jay Rosen, een groot pleitbezorger van nieuwe media en burgerjournalistiek, heeft terecht geconstateerd dat klassieke media dat aan zichzelf te danken hebben. Ze hebben te veel vertrouwen verspeeld.

Maar daarmee is niet gezegd dat Assange een journalist is, dat we hem op een zelfde wijze kunnen vertrouwen als ooit de pers. Voor journalisten is een lek een middel, geen doel. En als ze een lek hebben, checken ze het verhaal, want wat er in die documenten staat, hoe geheim ook, hoeft nog niet de waarheid te zijn. We weten niet altijd of documenten compleet zijn, ze kunnen een eenzijdig beeld geven, of doelbewust zijn gemanipuleerd – de afgelopen eeuw heeft geleerd wat desinformatie vermag.

De klassieke pers zal een verhaal context geven. Wat waren de omstandigheden toen de documenten werden opgesteld, welke andere belangen speelden mee? Een journalist zal wederhoor plegen. En zo transparant mogelijk zijn over zijn methoden: hij zal erbij vertellen wat hij noodgedwongen verzwijgt.

Assange is zo verstandig geweest de klassieke pers, Guardian, Times, Der Spiegel, etc, bij zijn onthullingen te betrekken. Maar dat maakt hem nog geen journalist. Hij houdt zich niet aan journalistieke mores. Hij is niet toegewijd aan de waarheid, maar aan absolute transparantie. Niet onafhankelijk, maar statenloos. Niet kritisch, maar anarchistisch. Hij is geen waakhond, maar een bulldog. Geen luis in de pels, maar – nou ja – iets anders.

Assange is een hacker die terug slaat. Dat maakt hem tot de held van alle geeks. Hij heeft ’t geflikt. Het State Department gekraakt. Dat is zoiets als een priester die god aan de telefoon krijgt. De paleontoloog die met een levende dino komt aanzetten. De astronoom die antwoord uit de ruimte krijgt.

Maar een journalist is Assange niet. Hij is meer anarchist en activist dan waarnemer of onderzoeker. De transparantie die hij van overheden eist, betracht hij zelf niet: we weten niet waar de documenten vandaan komen, we kennen de context niet, en we weten weinig van de organisatie achter Wikileaks.

Ik geloof niet dat Assange een beroep kan doen op de persvrijheid of het journalistiek verschoningsrecht – zo hij daar iets aan zou hebben. Dat geldt zelfs voor de vrijheid van meningsuiting – hoe streng dat ook klinkt. Want die freedom of speech is niet ongeclausuleerd, niet alles moet mogen. Smaad en laster staan wij niet toe, het verspreiden van kinderporno evenmin, en wie haat zaait kan zich ook niet met succes beroepen op artikel 7 van de Grondwet.

Julian Assange heeft niet zoveel met onze rechtsstaat. Hij beroept zich op een ander soort vrijheid.

Vrijheid

In 1996 publiceerde John Perry Barlow, tekstdichter van de Grateful Dead – zeggen we er altijd bij -, de onafhankelijkheidsverklaring van cyberspace – zo noemden we toen het internet. Hij verklaarde internet vrij. Geen domein van stenen en regels en staten en kapitaal, maar het domein van de geest.
Leave us alone, zei hij.

Die internetvrijheid, de vrijheid van meningsuiting, de vrije toegang tot informatie, de vrijheid om anoniem te zijn – die vrijheid wordt bedreigd – John Perry Barlow had goede redenen voor zijn manifest. Zijn vrijheid – zeg ik Femke Halsema na – wordt belaagd door commercie, rigide auteursrecht, downloadverbod, entertainmentbedrijven, softwaremonopolisten, justitiele autoriteiten en dictatoriale regimes die het net afsluiten zoals ze een bron dempen.

We verzetten ons daar tegen, zoals we ons ook verzetten tegen de steeds grotere greep die overheden krijgen op onze privacy. Met honderden camera’s op straat, gekoppelde bestanden, het opslaan van dataverkeer en deep packet inspection – wat zoiets is als een postbode die je post eerst opent en dan in de bus stopt. Nog even en we krijgen een rfid-chip geimplanteerd. Nog even en we zijn teruggebracht tot een streepjescode.

Ik snap heel goed dat digitale burgerrechtenbewegingen als de Electronic Frontier Foundation van John Perry Barlow en Bits of Freedom in Nederland daartegen te hoop lopen. Van de andere kant: ik romantiseer internet en de internetvrijheid niet. Ik erger me ook aan de hufterigheid die anonieme free speech nu eenmaal oplevert. Zoals Femke Halsema zei:

“Soms heb ik mijn buik vol van anonieme rotzakken die mij een loopse teef noemen of gewoon ronduit bedreigen. Maar ik neem de zoveelste pukkelige, seksueel gefrustreerde puber uiteindelijk voor lief als ik daar Oxfordgirl voor terugkrijg, die haar anonimiteit broodnodig heeft om de wereld te kunnen vertellen over de groene revolutie in Iran.”

Afgelopen zomer publiceerde Julian Assange de film Collateral Murder. Met die film liet Wikileaks zien hoe burgers in Irak vanuit een Amerikaanse gevechtshelikopter op straat werden doodgeschoten. De Amerikanen zagen de uitrusting van een Reuters-journalist aan voor een wapen. Het was schokkend. De ijzingwekkende rust waarmee de trekker werd overgehaald. De absurditeit dat je daar getuige van bent, vanuit het perspectief van de schutter nota bene. Te levensecht om waar te zijn – maar wel waar.

Collateral Murder is een aanklacht tegen de oorlog in Irak, tegen militaire nonchalance en gewapende arrogantie. Het is een klassiek protest. We weten tegen wie het gericht is, we snappen waarom, het doel is duidelijk.

Bij CableGate ligt dat anders. CableGate is een onthulling die niets onthult behalve het lek zelf. Een aanklacht tegen alles en dus tegen niets. In het beste geval is het een aanklacht tegen de manier waarop overheden met geheimen omgaan. Niet met een specifiek geheim – zoals de Pentagon Papers ooit onthulden dat de Amerikaanse regering loog over de oorlog in Vietnam – of, andere orde van grootte, Ad Bos ooit de bouwfraude aan het licht bracht.

CableGate is een schot hagel. Assange is er niet langer op uit een schandaal te onthullen, maar nog meer schandalen – schandalen in zijn ogen – te voorkomen. Hij verlangt absolute transparantie van de staat. En die staat, dat zijn wij.

Rebel

Is Julian Assange een rebel of een terrorist? Zoals dat altijd gaat bij revoluties – het hangt er vanaf aan wie je het vraagt.

Misschien is Assange een filosoof tegen wil en dank – de nar is dat wel vaker. Hij heeft ons veel geleerd – dat we niet zonder geheimen kunnen, bijvoorbeeld, ook al hebben we een jaar of tien gedacht – euforisch als we waren van die internetvrijheid – dat alles openbaar kon zijn, dat privacy een fictie was, en taboes konden verdwijnen – zoals je je ontdoet van een lege verpakking.

Naar mate we beter leren begrijpen wat internet is, wat een netwerksamenleving met ons doet, hoe de massa versplintert en kleine groepen een nieuw publiek domein doen ontstaan, ontdekken we ook dat er grenzen zijn aan onze vrijheid.

Ons naakte leven schuurt, niet minder dan de neiging van de overheid met dezelfde digitale middelen weer greep te krijgen op die netwerksamenleving.

Wat schuurt is dit: we kunnen niet zonder geheimen. We willen niet werkelijk dat iedereen alles over ons weet. We kunnen niet altijd eerlijk zijn, hebben leugentjes om bestwil nodig. Als die leugentjes openbaar worden, kunnen we nooit meer eerlijk en openhartig zijn. Zoals de Britse denker Theodore Damrymple maandag tegen Rob Wijnberg zei in Tegenlicht: “Alleen iemand die niets te zeggen heeft, heeft niks te verbergen.”

Voor het individu gelden andere normen als voor de staat, zal Assange claimen. Hij begrijpt vast wel dat de politie geen criminelen kan opsporen als ze niet under cover mag. Hij begrijpt ook dat diplomaten niet effectief zijn als ze in het volle licht van de openbaarheid moeten opereren. Maar Assange accepteert dat als, nou ja, collateral damage. Hij voorziet dat de staat steeds repressiever zal worden, steeds minder transparant, en uiteindelijk aan zijn eigen geheimen zal bezwijken.

Als die staat een akelige dictatuur is die de pers knevelt, heiligt het doel allicht de middelen. Maar dat is niet het geval als die staat een democratie is, die ervoor gekozen heeft te leven met veel kleine en wat grotere geheimen, met een commissie stiekum en een zekere mate van schijnheiligheid.

Zoals Winston Churchill zei: “De democratie is het slechtste systeem dat er is, op al die andere na die we hebben geprobeerd.”

Die democratie – dat zijn wij. Beter hebben we niet.

Reacties zijn gesloten.