Verhalen zijn de redding van de journalistiek

Toen de mens begon te praten, vijftigduizend jaar geleden, was de aardkloot miljarden jaren oud. Het is dus wat overdreven te stellen dat het woord “in den beginne” was, maar soit: de mens werd mens toen hij ging stamelen en zijn geschiedenis niet langer louter via zijn genen doorgaf, maar als verhalen. Door onze verhalen onderscheiden we ons van andere dieren.

Verhalen hebben ons vooruit geholpen. En die vooruitgang verliep vlotter dankzij het schrift, waarna het schrift weer sneller rond ging van de boekdrukkunst, en we de wetenschap ontdekten, en ten slotte, als een soort nagedachte, de journalistiek, die verhalen begon te vertellen terwijl ze zich ontrolden, het nieuws waarmee de moderne massasamenleving zich op de hoogte hield.

Het woord is altijd aan de macht geweest, en de macht aan het woord. Journalisten hebben de opdracht die macht te controleren – met behulp van, opnieuw, het woord. Dat ging beter naar mate “de pers” meer mensen bereikte. De journalistiek van het eind vorige eeuw was professioneler, onafhankelijker en – jawel – machtiger dan ooit. Niet voor niets spraken we van een mediacratie.

En toen kwam de klad in het woord.

Massa

De massamedia en hun journalistiek zijn het product van een geïn-dustrialiseerde eeuw, net als massaconsumptie, supermarkten en massa-marketing. Maar eind vorige eeuw begon de massa te verbrokkelen. Liever dan een zwijgende meerderheid wilden we assertieve, eigenwijze en desnoods wat hufterige individuen zijn.

Met de uitvinding van internet, even ingrijpend als ons eerste stamelen, kregen we de kans te zeggen wat we wilden. Niet dat alles wordt gehoord, want als iedereen praat, luistert er niemand. Maar dat hoeft ook niet. Het paradigma van de massamedia – pers praat, massa luistert – is vervangen door iets anders: we praten allemaal, zij het godlof in kleine groepen.

Niet de massa maar de groep – de clan – is de maat van internet. Wij en onze 287 vrienden.

Voor de status van het woord is dat funest. Het woord is aan inflatie onderhevig. Anders dan soms gedacht heeft dat met ontlezing weinig van doen. Ontlezing is niet van gisteren, is geen gevolg van internet. We lezen al minder sinds we televisie kijken.

Waar begin jaren zeventig nog in elk huishouden een betaalde krant werd gelezen, is dat nu gedaald tot één krant op elke twee huishoudens. Van die trend lagen journalisten niet wakker, zolang hun oplages op peil bleven omdat het aantal huishoudens toenam. Ze schrokken pas toen jongeren die groot werden met online nieuws de krant negeerden, dat wilde zeggen: het betaalde dagblad, om er nooit meer aan te beginnen.

Het hoge woord

Ontlezing bestaat alleen als normatief begrip. De uren die we lezen op internet tellen in de statistieken niet mee. Het ene lezen is het andere niet. Klaarblijkelijk is er een verschil tussen “hoge” woorden en “lage” woorden, als tussen hoge en lage cultuur. Dat verklaart allicht ook waarom we over ontlezing klagen en tegelijkertijd tobben over information overload – je zou denken dat het een het ander uitsloot.

Is het erg als we minder “hoge” woorden lezen, minder Schuld en boete, en meer twitterfeeds? Is het erg als we zelfs, zoals de Amerikaan Nicholas Carr stelt in The Shallows, ons vermogen tot “diep lezen” verliezen?

Of komt daar een ander lezen voor in de plaats, een associatief digitaal netwerk-lezen, via tags en “likes” en links, schakelend tussen Facebook en Foursquare, nu eens ondersteund door video, daan weer door een instant-vertaling uit het Arabisch, die gammel is, maar voldoet?

Ik ben schrijvend journalist en aarzel.

Journalisten moeten dealen met de inflatie van het woord. Het verliest aan gezag. Net als de massa versnippert ook het woord. Het raakt zijn context kwijt, zijn samenhang met andere woorden. Voorheen werd de waarde van het woord bepaald door wie het woord had, of nam. Nu niet meer. De inflatie van het woord is de inflatie van de elite. Het is de inflatie van de macht – en van de journalistiek.

Wat journalisten redt, is het verhaal. Niet per se hun verhaal. Of dat van hun antagonisten, de politici. Journalisten en politici hadden een monopolie op het woord, en dat zijn ze kwijt. Verhalen ontspringen in netwerken, en worden door netwerken verteld; niet door de massa, maar door die kleine clans.

Misschien heeft de samenleving op den duur zelfs genoeg aan die nieuwe verhalen, maar ik zou er de democratie van geïnformeerde burgers niet op durven verwedden. Een journalist hier en daar, die feiten checkt en tegels licht, die blaft en bijt en gromt, lijkt me geen kwaad te kunnen.

Wel moeten journalisten betere verhalen vertellen en die verhalen beter vertellen. Nieuws – lopend nieuws, feitelijk nieuws, breaking news desnoods – is er in overvloed.

Zelfs verhalen met kop en staart, helden en schurken, kraak en smaak, zijn niet langer schaars. Maar de behoefte aan verhalen die vertellen wat we delen en misdoen, hoe we liefhebben en lijden, is zo oud als de mensheid.

Reacties zijn gesloten.