Dertien lessen (2): koppen tellen

Bij gebrek aan beter, zei Churchill al, hebben we de democratie uitgevonden. Bij gebrek aan geduld – je kunt niet alles samen besluiten – hebben we er een parlementaire democratie van gemaakt. En bij gebrek aan Grote Verhalen, aan ideologieën die de samenleving een beetje overzichtelijk hielden, zitten we nu met BN’ers die politiek bedrijven in quotable oneliners, als een konijn gevangen in de koplampen van de media.

Politiek draait meer dan ooit om bekende gezichten. Koppen tellen. De vertegenwoordigende democratie is pakweg de afgelopen vijftien jaar een mediacratie geworden, een dramademocratie waarbij politiek, pers en publiek elkaar gevangen houden in een overmatige belangstelling voor het persoonlijke, voor de man achter de politicus, voor het sentiment onder de statistieken, en minder voor de “inhoud”, afwegingen, dilemma’s en conflicterende belangen.

Die verpersoonlijking van de politiek dringt ook door in de journalistiek. Zie de columns, de allengs persoonlijker politieke commentaren, de opmars van journalisten als “deskundigen” in praatprogramma’s op tv.

Dat heeft zijn voordelen. Sinds Peter Vandermeersch niet meer weg te slaan is bij DWDD, begrijp ik beter hoe NRC Handelsblad wordt gemaakt, en vind ik die krant beter dan ik ‘m vond. En wat je ook van Sjuul Paradijs en de Telegraaf kunt zeggen, krant en hoofdredacteur vallen in elk geval samen. Paradijs is zijn krant. Koppen tellen.

Hoewel pers en politiek veel minder onder één hoedje spelen dan de boze burger tegenwoordig denkt, maken ze wel een paralelle ontwikkeling door. Toen de politiek verzuild en elitair was, was de pers dat ook. Toen politici hun ideologische veren verloren, werden ook journalisten afstandelijker en kleurlozer. Nu de politiek herprofileert, doen ook kranten dat. Waar de politiek nu meer op de man speelt, speelt ook de persoon van de journalist een grotere rol.

Je kunt daarover klagen. Politici doen dat soms, als de aandacht voor hun privéleven licht perverse trekken krijgt (de vuilnisbak van Pechtold), of hun imago meer kwaad dan goed doet; soms is de klacht terecht, soms wat hypocriet.

Ook journalisten kunnen soms moeilijk wennen aan de verpersoonlijking van hun vak. Ze ergeren zich aan de stukjescultuur, de meninkjes, de oprispingen die gespeend zijn van tamelijk elementaire journalistieke aandriften. Vertier zonder urgentie, scherts zonder betekenis.

Toch tellen koppen. Zowel bij de politiek als bij de pers. Het persoonlijke is het vehikel geworden van het nieuws en dat kan tot prachtige journalistiek leiden, én politiek die begrepen wordt door het publiek. Dat het een tikkeltje riskant genre is, waarbij betekenisloze ijdelheid soms de overhand krijgt, lijkt me onbetwistbaar.

Maar ik geef steevast de voorkeur aan een goed onderbouwde, persoonlijke en betrokken opinie boven een afstandelijke, institutionele analyse.

 

[Dit is deel twee van een serie. Zie hier de inleiding. Later meer]