Gevaarlijk spel: hoeveel journalisten zijn er eigenlijk nodig?

Toen UvA-onderzoekers in april 2010 de voorlopige resultaten naar buiten brachten van hun onderzoek Gevaarlijk spel, pakte dat dubbel-ironisch uit. In de eerste plaats hanteerden ze wat dirty trics in het spel tussen voorlichter en journalist, dat ze in hun studie wilden ontrafelen. Maar van ironie in het kwadraat was sprake omdat het mislukte.

In Nederland, kopte de Volkskrant NRC Next, die de geplante primeur gretig had aangenomen, lopen tien keer zoveel voorlichters rond die het nieuws willen spinnen als er journalisten zijn. Volgens de NVJ zijn er circa 15.000 journalisten, van wie er 5.000 ook commercieel werk doen. De UvA-studie komt uit op 128.400 tot 149.382 “communicatiemedewerkers” in de private sector, en 7457 in de publieke sector.

Dat kopt lekker, zo bleek. Tien voorlichters op elke journalist. Och arme. Wat de onderzoekers – Frank van Vree, Mirjam Prenger, Leendert van der Valk en Laura van der Wal – – niet konden voorkomen, of allicht niet wilden voorkomen, was het gebrek aan nuance. Dus moet in het nu verschenen boek twee of drie keer worden gecorrigeerd: die communicatiemedewerkers zijn niet allen voorlichters en een deel is bovendien besteld met interne communicatie en ziet never-nooit een verslaggever “in het wild”.

Misleiding en propaganda

Voor de strekking van Gevaarlijk spel maakt het niet uit. De journalistiek zit in de hoek waar de klappen vallen. Kranten krimpen, omroepen bezuinigen, adverteerders muiten, journalisten worden ontslagen of moeten – deels uit concurrentiedrift – zoveel pagina’s voltikken en minuten vullen dat ze, suggereert internationaal onderzoek, bij pakweg de helft van hun verhalen een willig slachtoffer zijn van “pr”. In Flat Earth News sprak Nick Davies van “churnalism”, die mix van misleiding, propaganda en niet geverifieerd nieuws.

Daar tegenover staat een communicatiebranche die groeit als kool: pakweg een verdubbeling in de afgelopen tien jaar. Ze zijn steeds talrijker en beter gefinancierd, en steeds professioneler. Ze leren van handboeken die uitleggen hoe je een mediastrategie of issuemanagement opzet, en van oud-journalisten die hun netwerk te gelde maken. Ze poetsen aan het “imago” van hun baas, wie dat ook is – de “merken” van Defensie, een oersaaie provincie of een chemische multinational.

Dat doen ze volgens tamelijk ethische normen: niet te veel liegen, niet te vaak een politiek belang dienen omdat je als overheidsvoorlichter volgens de principia – de interne code – pas op pad mag als het beleid al gevormd is. Idealisme komt er niet bij kijken, anders dan bij de dominante journalistieke beroepsopvatting die – kritisch, betrokken – een product is van de jaren zestig. Maar “pr” is in Nederland dan ook groot geworden sinds de no-nonsense jaren negentig. Verklaart dat misschien ook iets van het venijn tussen beide beroepsgroepen?

Hamvraag

Onthutsend is Gevaarlijk spel niet meer. Dat krijg je ervan als je je primeur al een jaar eerder weggeeft. Verontrustend nog wel. Niet doordat het beeld wordt bevestigd dat we al kenden van Davies (in Nederland is de journalistiek er overigens minder beroerd aan toe dan in de UK, melden de onderzoekers), maar omdat pas in de allerlaatste alinea de hamvraag aan de orde komt – en onbeantwoord blijft.

“Tenslotte is er één speler die in deze studie geheel buiten beeld is gebleven: het publiek,” schrijven de onderzoekers. Wat moet de burger met dat spel tussen journalisten en voorlichters? Met die antagonistische en tegelijkertijd symbiotische relatie tussen twee beroepsgroepen, waarbij de journalistiek het onmiskenbaar aflegt tegen de pr? Hebben zij behoefte aan “een grotere onafhankelijkheid en meer transparantie” van de pers, of “vinden zij dit allemaal irrelevant, zoals sommige cynici beweren?”

Ik ben geen cynicus, en beweer niks, maar vind dat die vraag desalnietemin gesteld moet worden. Is de burger in onze democratische samenleving slechter geworden van de opkomst van pr en het wegkwijnen van de journalistiek? Gaat het land naar de verdoemenis als de trend zich voortzet, als er over tien jaar driehonderdduizend “voorlichters” zijn en nog maar vijfduizend journalisten?

Hoeveel journalisten zijn er eigenlijk nodig om de burger geïnformeerd te houden en de macht eerlijk?

Geldstromen

De onafhankelijke journalistiek wordt gefinancierd uit drie geldstromen. De overheid die als het om mediabeleid gaat vrijwel alleen de publieke omroep betaalt; het Stimuleringsfonds voor de pers is daarbij vergeleken klein bier. De lezer die krant of tijdschrift van 50 tot 70 procent van zijn budget voorziet. En de adverteerders die de rest voor hun rekening nemen.

Op alledrie de geldstromen wordt fors bezuinigd. Alle drie de stakeholders hebben vooral door nieuwe media alternatieven gekregen. De overheid kan zelf de burger bereiken en geeft steeds meer geld uit aan “pr” (een stad als Almere heeft 47 communicatiemedewerkers en geen serieus dagblad). De lezer kiest op internet en in de trein uit een groter aanbod van gratis “nieuws” en stelt onbewust vast dat hij geen waar meer voor zijn abonneegeld krijgt. En de adverteerders doen beide: zelf de consument opzoeken met direct mail en viral marketing en ontdekken dat adverteren sec te weinig oplevert.

De UvA-onderzoekers noemden hun boek niet voor niets Gevaarlijk spel. Ze vrezen, terecht uiteraard, dat de journalistiek zoals we die nu kennen, en met name de kwaliteitsjournalistiek, niet zal overleven als de trend zich voortzet. Zonder wat ik de “systeempers” heb genoemd, naar analogie van de “systeembanken”, verliest de democratie iets wat van waarde is, het vermogen van the fourth estate om te informeren, agenderen en controleren.

Terminaal

De oplossingen waarmee de onderzoekers het tij willen keren, zijn niet overtuigend. Meer zelfvertrouwen, meer samenwerking, specialisatie, betere scholing, meer reflectie, het slim gebruiken van sociale media en internet, en nog zo wat. Sommige aanbevelingen zijn beslist to the point – leer journalisten in opleiding iets over de diersoort voorlichters -, maar veel wordt al gedaan of gaat mank. “Beperk redactionele bezuinigingen” is net zo’n open deur als tegen een terminale patient zeggen: wordt niet ziek.

Waarmee ik niet wil zeggen, ik ben geen cynicus, dat de journalistiek terminaal is. Dat duurt nog jaren en jaren. Het vak vecht terug. Door met minder geld toch onderzoeksverhalen te maken, te innoveren waar het kan, en argwanend achter het gespin te kijken. Dat neemt niet weg dat het huidige model defect is, maar ik blijf optimistisch: waarschijnlijk bedenkt een nieuw type journalist een list voor het te laat is; ik dicht de burger – hij is warempel niet dom – voldoende argwaan toe om die nieuwe journalistiek mogelijk te maken, zoals adverteerders zullen merken dat onafhankelijke berichtgeving ook tot return on investment leidt, en de overheid vroeg of laat zal inzien dat “regulering” niet alleen bij de pers nodig is, maar dat de pers kan helpen de overheid te reguleren.

Het probleem is de overgang, de tijd tussen nu en straks, de bodem van de curve waar we doorheen moeten voordat een bent van journalisten uit de Google-generatie een verdienmodel ontdekt dat de vrije pers in stand zal houden. Totdat het tegendeel bewezen is, ga ik er tandenknarsend vanuit dat de overheid, uit weloverwogen eigenbelang nota bene, de “systeempers” te hulp moet komen. Met meer dan klein bier.

 

[Dit stuk is geschreven op verzoek van de schrijvers van Gevaarlijk spel; het is met andere woorden ingestoken en gespind, maar geheel voor rekening van de auteur. Het verschijnt ook op www.denieuwereporter.nl/gevaarlijk spel]

 

Reacties zijn gesloten.