Laatste post over apekool en Parkinson

Dit is mijn laatste post – voorlopig. Op de kop af tien jaar heb ik gepubliceerd over nieuwe media. Dat begon met een artikel in de Volkskrant over de Yahoo-generatie – hoezo Google? – en het einde van de krant. Wat ik toen voorspelde is helaas voor een te groot deel uitgekomen: kranten zijn een kwart gekrompen omdat nieuwe generaties hun nieuws elders halen. Maar dat benul, ik krijg een gelijk dat ik nooit heb willen halen, is niet de reden voor mijn time-out als blogger.

Vier weken geleden hebben twee neurologen in het Groningse Martini Ziekenhuis vastgesteld dat ik de ziekte van Parkinson heb. Trillende hand, slepend been, chronische vermoeidheid, wat stijf in de leden, amper reuk, stotterend praten door te veel speeksel, somberheid. Je gaat er niet dood aan, zeiden de specialisten. Maar het eindigt lullig, dacht ik. Je blijft helder denken, maar je bewegingen worden trager – noem het minder valide.

Toen ik het ziekenhuis uit wandelde, een beetje schuifelend om niet te struikelen, wist ik één ding zeker. Als er ooit een dag was om in het heden te gaan leven, een adagium dat ik een dag eerder nog als holistische apekool aan de kant had geschoven, was dat deze. Tot dan toe had ik gewerkt en geleefd in permanente haast, alsof de dood me op de hielen zat. Lange dagen, lange weken. De krant, nog een boek, snel een blogpost, altijd onrustig.

’s Avonds zat ik met mijn lief in de tuin. Het was warm voor de tijd van het jaar en we keken naar de sterren en de zwaluwen en de vleermuizen – en dat bleven we doen. Ik had geen haast meer. Samen met mijn twee collega’s in de hoofdredactie van Dagblad van het Noorden had ik twee weken eerder besloten dat een van ons zijn functie zou neerleggen, omdat drie hoofdredacteuren wat veel werd voor de noodzakelijkerwijs krimpende redactie. Degene die aan het kortste eind trok, was ik – wat pijnlijk was.

Tien dagen later zat ik bij de neurologen en had ik Parkinson. Van het ene op het andere moment gleden ambitie, blinde haast, streberigheid en bewijsdrang van me af. En vroeg ik me af wat het leven werkelijk de moeite waard maakt, ongeveer zoals Woody Allen aan het eind van Manhattan – een film uit mijn jeugd – zich afvraagt. Zijn antwoord, hoe kan het anders, gaat over jazz en de Marx Brothers en “Tracy’s eyes”.

Na de zomer ga ik bij Dagblad van het Noorden verder als onderzoeksjournalist. Dat type werk is mijn passie – en overigens denk ik dat uitzoekjournalistiek zowat het laatste is wat de krant en ons vak kan redden. Zo lang Parkinson me een beetje met rust laat, de rigiditeit behapbaar blijft en de bijwerking van de medicijnen niet al te gek wordt, zal ik blijven schrijven en werken en genieten – en daarna zien we wel verder.

Naschrift

Dank voor alle vriendelijke woorden. Voor de goede orde: ik slik medicijnen die kort gezegd aanvullen wat een afstervend groepje cellen in mijn hersenen niet meer in voldoende mate, en steeds minder, zelf aanmaken. Parkinson-patiënten zoals ik komen dopamine tekort, en gebruiken medicamenten als levodopa om dat te corrigeren. Het effect daarvan is goed. Ik tril minder, kan weer normaal tikken, en ben over het algemeen buitengewoon opgewekt, niet in de laatste plaats omdat ik weet wat er loos is. Mij is wel gezegd dat ik wat kalmer aan moet doen, maar daar valt, als je maar kiest, en bijvoorbeeld dit blog negeert, goed mee te leven. Voor het overige ben ik fit, helder – of niet minder helder dan voorheen – en voel ik me beter dan ik me het afgelopen jaar voelde. Dat was het. Nu over tot de orde van de dag.

Reacties zijn gesloten.